Back

Artikel

Home

Een bestedingsimpuls die de schatkist niets kost: investeren in duurzame energie

3 aug 2009
Onderwerpen: Energie, Macro-economische politiek
Tegenover de gunstige effecten van Keynesiaans beleid op de werkgelegenheid staan vaak een grotere staatsschuld en een verslechterde betalingsbalans. Bij investeringen in duurzame energie zijn deze nadelen er niet, stelt econoom Van der Burg. Investeren in een windmolenpark bijvoorbeeld is een ideale vorm van Keynesiaans beleid, want leidt tot meer productie, minder import, en een lagere staatsschuld.

Impuls betekent vaak verschuiving van bestedingen

In deze tijd van sterk oplopende werkloosheid is weer vaak te horen dat een bepaalde investering vanwege ‘inverdieneffecten’ gesubsidieerd zou moeten worden. Een typisch argument is het volgende. Een voetbalclub wil een stadion bouwen, maar heeft daarvoor een subsidie nodig van, zeg, 30 procent van de investering. De investering doet de productie en de werkgelegenheid in de bouw stijgen. Dit leidt, ook via multipliereffecten, tot meer belastinginkomsten en minder uitkeringen. Deze inverdieneffecten overtreffen de subsidie. De overheid kan de subsidie dus rustig geven.

Hierbij vergeet men dan de effecten die optreden als gevolg van een daling van de vraag elders. Deze effecten noem ik ‘inverlieseffecten’. Zo trekt een nieuw stadion extra supporters. Die kopen onder meer toegangskaartjes. Daardoor houden ze minder geld over voor andere bestedingen. Dit leidt tot minder vraag en productie elders, en dat kost de overheid weer geld. Helaas worden zulke inverlieseffecten nogal eens vergeten.

Vergeet ook ongunstige neveneffecten op macroniveau niet

Een bestedingsimpuls kan nog een andere, ongunstige kant hebben die bij kleine projecten vaak wordt vergeten. Maar eerst iets over grote initiatieven. Als een groot pakket overheidsinvesteringen de werkloosheid op korte termijn flink doet dalen, dan stijgen hierdoor de lonen (het Phillips-curve effect). Dit kan de economie dan later verzwakken, bijvoorbeeld via dalende exporten. Een ander negatief effect heeft te maken met het feit dat voor een groot investeringspakket veelal een beroep op de kapitaalmarkt wordt gedaan. Dit kan andere investeringen doen dalen, omdat de rente stijgt of gewoon omdat banken minder geld overhouden voor andere leningen.

Bij een klein project lijken de zaken anders te liggen. De effecten hiervan worden vaak met een input-output model berekend. Zo’n model kent geen Phillips-curve, en ook geen kapitaalmarkt met endogene rente. Deze berekeningswijze lijkt heel logisch. Als, bijvoorbeeld, een project de werkloosheid met elf manjaren doet afnemen dan heeft dat hoogstwaarschijnlijk geen enkel effect op de eisen van de vakbonden. Maar stel nu dat de berekeningswijze tot de volgende conclusie leidt: er zijn heel veel kleine projecten die de productie doen toenemen en relatief grote inverdieneffecten hebben. Stel dat de overheid op grond hiervan al die projecten gaat ondersteunen. De totale bestedingen stijgen dan mogelijk met miljarden. Hierdoor ontstaan dan wél allerlei negatieve effecten. Helaas hielden de berekeningen daar nu juist geen rekening mee. Dit betekent dat de beleidsvoorbereiding inconsistent wordt.

In verband hiermee is het beter om voor de beoordeling van zowel grote als kleine projecten een macro-economisch model te gebruiken. De details van de daarbij te maken berekeningen zijn elders beschreven (Van der Burg, 1996), maar de essentie is als volgt. Stel dat volgens het model een verhoging van de bestedingen met 10 miljard euro via de Phillips-curve tot hogere lonen leidt, en dat die hogere lonen er toe leiden dat de staatsschuld (op termijn) met X miljard euro stijgt. Voor de beoordeling van een investeringsproject van (bijvoorbeeld) 2 miljoen euro wordt dan gedaan alsof dit project de staatsschuld met X maal (2 miljoen/10 miljard) euro verhoogt. (Dit dan alleen voor zover het om het effect van de Phillips-curve gaat.) Meer in het algemeen worden de effecten van een kleine besteding verondersteld proportioneel te zijn aan de effecten van een veel grotere besteding (los van correcties voor projectspecifieke kenmerken). Zo wordt de beleidsvoorbereiding consistent.

Met deze methode zullen projecten minder gauw acceptabel zijn, want de effecten die men alleen op macroniveau kan waarnemen zijn vaak negatief van aard.

Duurzame energie

Zouden investeringen in duurzame energie een dergelijke test van het macro-economisch model kunnen doorstaan? Alvorens naar deze test te gaan, eerst een kwalitatieve analyse. Die begint met een fictief voorbeeld: de machine OilSave. Deze Nederlandse machine helpt raffinaderijen te besparen op ruwe olie, zonder dat de productie van benzine daalt. OilSave is pas rendabel als er 30 procent subsidie op de investering zit. De investering doet de productie in Nederland stijgen, en de inverdieneffecten zijn gelijk aan 40 procent van de investering. Zo bezien daalt de staatsschuld per saldo.

Maar zijn er ook inverlieseffecten? Ja, maar alleen in het buitenland. De olieproducenten zien hun afzet dalen. Daarvan heeft Nederland geen last. Sterker nog, vanuit Keynesiaans perspectief zijn de olieproducenten mede oorzaak van de crisis. Ze consumeren een relatief klein deel van hun inkomen, en sparen de rest. Veel sparen bevordert volgens Keynes de crisis. Het is voor de wereldeconomie dus juist gunstig dat de olieproducenten minder gaan verdienen. En in elk geval leidt OilSave in Nederland tot meer productie, minder import, en een lagere staatsschuld.

Andere projecten op het gebied van duurzame energie (en energiebesparing) hebben grofweg dezelfde kenmerken as OilSave. Ze genereren een bestedingsimpuls, en leiden (direct of indirect) tot besparingen op de import van energie. Natuurlijk zijn er op onderdelen afwijkingen van het te simpele voorbeeld OilSave. Maar ook een serieuze kwalitatieve analyse leidt tot de conclusie dat investeringen in duurzame energie (en energiebesparing) in situaties van werkloosheid grote voordelen kunnen hebben (zie Van der Burg, 1996).

Een voorbeeld: een windmolenpark

Nu de kwantitatieve analyse. In de juist genoemde studie werd ook een Nederlands windmolenpark geanalyseerd. Dat park had realistische kenmerken. Het werd verondersteld gebouwd en geëxploiteerd te worden in de periode 1975-1990, een periode van werkloosheid. Voor de analyse werd gebruik gemaakt van het Freia-model van het Centraal Planbureau (waarmee het Planbureau in de jaren tachtig vaak macro-economisch beleid analyseerde). Een van de uitkomsten was deze. Als de olieprijs een dusdanig niveau had dat de investering in het windpark voor 17 procent gesubsidieerd moest worden om voor het elektriciteitsbedrijf rendabel te zijn, dan was het effect van de subsidie op de staatschuld per saldo nul. Dit kwam vooral door de inverdieneffecten, welke de inverlieseffecten (bij onder meer conventionele centrales) en de andere negatieve effecten overtroffen. Daarnaast had het park gunstige gevolgen voor productie, werkgelegenheid en betalingsbalans.

Eerder hadden Chan-Lee en Kato (1984) de macro-economische modellen van veertien landen (waaronder vijf landen kleiner dan Nederland) met elkaar vergeleken. Hierbij bleek dat het Freia-model relatief veel nadruk legde op de negatieve effecten van Keynesiaans beleid, waarbij vooral de kapitaalmarkteffecten zwaar meewogen. Omdat het windpark op de kapitaalmarkt werd gefinancierd, had het gebruik van andere modellen dus tot nog gunstigere conclusies voor het windpark kunnen leiden.

Een groot deel van de bestedingsimpuls van een Nederlands windpark lekt naar andere landen weg. Stel nu eens dat het windpark onderdeel was geweest van een Europees energiebeleid. Vanwege de inverdieneffecten in onze buurlanden was het park dan mogelijk ook nog acceptabel geweest bij een olieprijs waarbij een subsidie van wel 50 procent nodig was. Het project had dan mogelijk nog niet geleid tot een (netto) toename van de gezamenlijke schuld van alle lidstaten van de Europese Unie.

Effect op olieprijs

Een Europees energiebesparingsbeleid heeft nog een voordeel. Hiervoor moeten we naar Little en Mirrlees (1974). Zij bespraken een land dat een flink deel van de wereldproductie van een grondstof verbruikte, en die grondstof importeerde. Als dit land op die grondstof ging besparen kon een speciaal, niet te verwaarlozen voordeel ontstaan: de wereldmarktprijs van de grondstof daalde, en daarmee de importkosten. Van der Burg (1996) paste dit inzicht toe op de (netto) olie-importeur Europa. Uitgaande van normale waardes voor de benodigde prijselasticiteiten van vraag en aanbod van olie, was de conclusie als volgt. Als de Europese Unie voor 100 miljard euro op olie bespaart, dan daalt de olieprijs dusdanig dat de kosten van de resterende olie-import van de EU met ongeveer 20 miljard euro zullen dalen.

Lessen voor nu

Alle bovengenoemde schattingen betreffen de situatie van werkloosheid van de jaren tachtig. De precieze cijfers zullen nu anders zijn. Maar de basisgedachte is ook voor de huidige crisis relevant. Die is als volgt. Zoals de leerboeken aangeven, leidt normaal Keynesiaans beleid in tijden van werkloosheid op korte termijn tot hogere productie en werkgelegenheid. Maar het heeft ook nadelen: de staatsschuld stijgt en de betalingsbalans verslechtert. Subsidies voor investeringen in duurzame energie echter zijn voor Europese landen een speciale vorm van Keynesiaans beleid welke wel de voordelen heeft van normaal Keynesiaanse beleid, maar niet de nadelen.

Dit beleid kan op nationaal niveau worden ingevoerd. Echter, de beste effecten treden op bij een Europees beleid. Uiteraard zijn er naast subsidies ook andere instrumenten om duurzame energie te ondersteunen, zoals energieheffingen. Zulke instrumenten hebben (in bepaalde situaties) mogelijk nog gunstigere effecten dan subsidies. Maar dat versterkt alleen maar de slotconclusie: het stimuleren van investeringen in duurzame energie is een ideale vorm van Keynesiaans beleid.

Referenties:

Chan-Lee, J.H. and H. Kato (1984), A comparison of simulation properties of national econometric models, OECD Economic Studies, Spring 1984, pp. 109-50.

Little, M.D. and J.A. Mirrlees (1974), Project Appraisal and Planning for Developing Countries, London, Heinemann.

Van der Burg, T. (1996), Project Appraisal and Macroeconomic Policy, met een voorwoord van voormalig Co-Editor van Econometrica Ken Wallis (Kluwer Academic Publishers).

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik