Back

Artikel

Home

Economie loopt vast als bedrijven leren dat de overheid toch wel bijspringt

22 jul 2009
Onderwerpen: Macro-economische politiek
Eén bedrijf in nood helpen, betekent een heel vangnet spannen. Wanneer bedrijven leren dat de overheid uiteindelijk wel bijspringt, dan loopt onze economie net zo vast als de economieën van de vroegere Sovjet-Unie en Oostbloklanden. Deel twee van een tweeluik over het werk van de econoom János Kornai.

Terug naar de economie van het tekort

In deze tijd van crisis staan politici klaar om de harde klappen op te vangen – met geld van de belastingbetaler natuurlijk. Het zou zonde zijn al die bedrijven kapot te laten gaan, zo is de gedachte, terwijl de economie aantrekt terwijl u wacht. Een belangrijke les van het werk van de Hongaarse econoom János Kornai (1928) is dat niet alleen het te redden bedrijf, maar de hele economie verandert als de overheid als reddende engel optreedt. Kornai richtte zijn pijlen op het communistische systeem, maar zijn inzichten over de oorzaak van het falen daarvan gaan dieper en zijn breder toepasbaar.

Kornai publiceerde in 1980 zijn bekendste werk, “De economie van het tekort” (Economics of Shortage). Het boek had een enorme impact. Het werd bijvoorbeeld ook in het Chinees vertaald, met een oplage van 100.000 exemplaren. In het boek beschrijft Kornai een mechanisme dat een essentiële schakel vormt in de keten van oorzaak en gevolg die onvermijdelijk leidt tot het economisch falen van het communistisch systeem en de tussenvarianten in de overgang naar een markteconomie. Dit mechanisme gaf hij later de naam soft budget constraint, wat we vertalen als zachte budgetbeperking.

Relatie tussen overheid en bedrijfsleven is als die tussen ouder en kind

Kornai legt het principe uit naar analogie van de financiële relatie tussen ouders en kinderen. In die relatie onderscheidt hij vijf niveaus, van 4 tot en met 0. Niveau 4 is het hoogste niveau. Het komt overeen met de relatie tussen een zuigeling en zijn ouders. De ouders bepalen de behoeftes van het kind, en zorgen dat daarin wordt voorzien. Niveau 3 is het niveau waarbij het kind zelf opvattingen heeft over wat het nodig heeft, en daar actief over communiceert met de ouders. De ouders zorgen echter nog steeds voor alles. Niveau 2 is het niveau waarop het kind een van tevoren afgesproken zakgeld krijgt, maar nog steeds naar zijn ouders kan gaan om meer. Op niveau 1 zorgt het kind (inmiddels min of meer volwassen geworden) voor zichzelf, maar bij calamiteiten wordt voor ouderlijke opvang gezorgd. Als niveau 0 is bereikt, moet het kind ook bij calamiteiten zichzelf zien te redden.

Niveau 4 komt overeen met de verhouding tussen een staatsbedrijf en de staat of de partij in een Stalinistische economie. Niveau 3 was te vinden in gematigde centraal geleide economieën in veel van de toenmalige Oostbloklanden. Niveau 0 strookt met de zuivere markt. De zachte budgetbeperking is verbonden met de niveaus 1 en 2. Het voortbestaan van een organisatie die bij gebrek aan financiële middelen uiteen dreigt te vallen, wordt gerekt met extra geld van deze of gene overheid. Oorspronkelijk ging alle aandacht van Kornai uit naar productiebedrijven, vooral naar bedrijven die eigendom waren van de staat of pas recent waren geprivatiseerd. Later breidde hij de toepassing uit tot kapitalistische ondernemingen met zieke productiedivisies die ook vaak (te) lang met extra geld overeind worden gehouden. Een buitencategorie die altijd op steun kan rekenen, is de financiële wereld, in het bijzonder systeembanken. Dat is in het afgelopen jaar weer gebleken. Daarnaast worden failliete niet-winstinstellingen zoals lagere overheden en ziekenhuizen keer op keer opgevangen. Ten slotte worden complete landen door de internationale gemeenschap van het bankroet gered. Recentelijk was Letland aan de beurt. Strikt genomen kunnen ook individuele huishoudens profiteren van de beschermende muur van de zachte budgetbeperking. Voorbeelden daarvan zijn sociale uitkeringen en maatregelen om hoge hypotheekschulden op te vangen.

Overeind houden van zwakke broeders weer bijzonder actueel

Veel belangrijker voor een beter begrip van de huidige actualiteit is natuurlijk het optreden van de staat als reddende engel. Alleen al de internationale financiële wereld is met bedragen ondersteund die in de biljoenen (getallen met dertien cijfers!) lopen. Ook een bank zelf is overigens vaak een bron van zachte budgetbeperkingen. Een bank kan van oordeel zijn dat het bedrijfseconomisch voordelig is soepel met kredietvoorwaarden om te gaan, of dat het verstandig is zelfs extra krediet te verschaffen om daarmee een debiteur overeind te houden. Dat kan voordelig zijn, als daarmee de kans wordt vergroot de hoofdsom op een later tijdstip alsnog terug te ontvangen. Interessant als motief voor rekbare budgetbeperkingen is bescherming van de eigen balans. Door met extra kredieten de schuldenaar de mogelijkheid te verschaffen om zijn verplichtingen na te komen kan worden vermeden dat de hoofdlening op de balans moet worden afgewaardeerd. In het jargon heet deze praktijk “evergreening”, een vorm van verhulling van de werkelijke stand van zaken die bijvoorbeeld in Japan in de jaren negentig van de vorige eeuw op grote schaal werd toegepast.

Waarom zou de staat een bedrijf of organisatie op de been houden? Kornai onderscheidt de volgende motieven. Het eerste motief betreft de bescherming van de financiële belangen van de staat, die kunnen worden geschaad door een faillissement. Daarnaast kunnen gevoelens van verantwoordelijkheid voor banenverlies en sociale ontwrichting opspelen. Kornai acht die van groot belang in liberaliserende ex-communistische landen. In democratische landen spelen electorale motieven een rol. Juist in de aanloop naar verkiezingen stelt de Duitse regering zich momenteel extra activistisch op. Ook de angst voor prestigeverlies mag niet worden onderschat. Zalm kan hiervan profiteren, omdat voor Bos, Balkenende en Wellink een deconfiture van ABN-AMRO rampzalig zou zijn, na alle eerdere kostbare bemoeienis. In de huidige financiële crisis wordt vaak gewezen op het vermijden van systeemschade. Een grote bank die failliet gaat, sleept vele andere bedrijven, ook buiten de financiële sector, in zijn val mee.

Een bedrijf redden schept een precedent

Kornai stelt dat zachte budgetbeperkingen niet alleen betekenen dat een dreigend faillissement wordt uitgesteld of zelfs vermeden. Zodra een overheid een bepaalde organisatie kunstmatig in leven houdt, ontstaat ook een vangnet voor een reeks andere organisaties. Het is heel erg moeilijk – Kornai acht dat zelfs onmogelijk - om een organisatie redding te weigeren als in soortgelijke omstandigheden een andere organisatie wel gered werd. Chrysler werd in 1979 door de staat op de been gehouden. Dat gebeurde begin dit jaar nogmaals. Inmiddels mag ook General Motors van het vangnet gebruikmaken. Bij de redding van de IJsselmeer-ziekenhuizen werd automatisch het vangnet voor alle andere ziekenhuizen gespannen. Het ziekenhuis in Goes is waarschijnlijk de eerste in een langere reeks die hiervan zal profiteren. Het is onwaarschijnlijk dat een matig onderbouwd advies van de zorgautoriteit om ziekenhuizen failliet te laten gaan, het tij kan doen keren.

Vangnet verduistert zicht op risico

Het bestaan van een dergelijk vangnet heeft drie grote bezwaren. In de eerste plaats heeft de leiding van het bedrijf minder aandacht voor de risico’s van beslissingen. Het is zeer aannemelijk dat als bijvoorbeeld Fokker niet gerekend had op het vangnet, ervoor was gekozen om een gespecialiseerde nichespeler te worden. Deze kansrijke strategie werd vanwege een rationeel vertrouwen op het vangnet verworpen. De afloop van deze risicorijke beslissing is bekend. Het verhaal past naadloos in de analyse van Kornai.

Energie gaat zitten in krijgen van hulp

Het tweede bezwaar dat onlosmakelijk met zachte budgetbeperkingen is verbonden, is dat het bestuur van de organisatie de rug naar de eigenlijke activiteiten keert. Geen of veel te weinig aandacht gaat uit naar de mogelijkheden om de effectiviteit van de organisatie te verhogen, kosten te verlagen of klanten beter te bedienen. Het koesteren van de redders in nood krijgt prioriteit. Zo verplaatste het RSV-concern indertijd het hoofdkantoor naar Den Haag. Het heil werd gezocht bij mijnheer Molkenboer en de politiek – niet bij verbetering van de resultaten. Na het lezen van Kornai zal het niemand verbazen dat de productiviteitsgroei in de melkveehouderij, de graan- en suikerteelt en andere door protectionisme en subsidies zwaar ondersteunde landbouwsectoren mijlenver achterloopt bij de productiviteitsgroei van bijvoorbeeld de pootaardappelteelt, de glastuinbouw en de paardenfokkerij. In die laatste agrarische deelmarkten is de Europese ondersteuning veel beperkter, zodat daar landbouwondernemers worden gedwongen hun inventiviteit aan te wenden om kosten te verlagen of opbrengsten te verhogen.

Iedereen wil uit de ruif mee-eten

Het derde bezwaar is dat belanghebbenden minder bereidheid tonen om de voor het herstel noodzakelijke concessies te doen als zij weten dat uiteindelijk die redder in nood uit de coulissen zal opduiken. Een vakbond zal minder bereid zijn om loonconcessies te doen, een bank zal minder genegen zijn kredietvoorwaarden te versoepelen, specialistenmaatschappen gaan minder snel akkoord met reorganisaties van ”hun” ziekenhuis, et cetera. In alle gevallen is het rationeel om de tekorten verder op te laten lopen, totdat de staat in het gat springt. Alle rekeningen komen uiteindelijk bij de belastingbetaler terecht, op korte en lange termijn. Allereerst zijn de directe kosten van reddingsoperaties enorm hoog. Het overeind houden van Opel kost bijvoorbeeld ongeveer €250.000 per arbeidsplaats. Daarnaast worden mensen vastgehouden in organisaties die onbeheersbaar zijn geworden of die niet in staat zijn gebleken door innovatie met de tijd mee te gaan. Schumpeters mechanisme van creative destruction wordt uitgeschakeld. Zo beschreef het Britse blad The Economist General Motors in 1989 al als een terminaal bedrijf: bureaucratisch, met een veel te hoge overhead en niet in staat tot technische vernieuwing. Na jaren van gigantische kapitaalvernietiging wordt het bedrijf met overheidsgeld opnieuw overeind gehouden. Daarmee wordt de opkomst, de groei of zelfs het voortbestaan van wel efficiënte en innovatieve concurrenten zwaar bedreigd. János Kornai houdt de wereld van vandaag een wijze boodschap voor: zachte heelmeesters maken stinkende wonden.

Referentie:

Kornai, J. (1980), The Economics of Shortage, Amsterdam: North Holland.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik