Back

Artikel

Home

Economie brengt alle disciplines samen

9 jan 2009
Onderwerpen: Recht en economie
De bijdrage van de economie voor beleid is de inzichten van alle disciplines, inclusief de economische theorie zelf, te integreren in één analytisch kader. De ware kracht van het economisch imperialisme zit niet zo zeer in het verbreden van de reikwijdte van de economische theorie tot onderwerpen als discriminatie en partnerkeuze, maar in het ondergeschikt maken van de inzichten uit alle disciplines aan de economische logica van kosten, baten en afwegingen. De economische analyse van het criminaliteitsbeleid is hiervan een mooi voorbeeld.

Inzichten uit andere vakgebieden in economische analyse integreren

Jonge moeders laten inzien hoe belangrijk het is oogcontact te hebben met hun kind, zoals gebeurt bij de centra voor Jeugd en Gezin, is een maatregel die mogelijk veel oplevert en niet zo veel kost. Goede hechting kan veel latere problemen in het leven van het kind voorkomen. Dit werk is het stiel van psychologen, niet van economen. Toch kan ook het idee van vroeg ingrijpen in de ontwikkeling van kinderen uit de koker van een econoom komen maar dan wel van een econoom die ook kijkt naar niet-economische maatregelen.

Jim Heckman is een voorbeeld van zo’n econoom die inzichten uit andere disciplines in zijn analyse integreert. Hij stelt de vraag hoe achterstand in de ontwikkeling van kennis en vaardigheden is te voorkomen (Heckman, 2006). De economische theorie is hiervoor van beperkt nut. Economen focussen sterk op het cognitieve aspect van het opdoen van kennis en vaardigheden, de zogenoemde investeringen in de ‘kennisvoorraad’. Een typische econoom zou met het beleidsvoorstel komen om meer kennis te pompen in kinderen die achterblijven of zelfs volwassenen met een opgelopen achterstand. In de praktijk blijkt dat beleid zich beter kan richten op het vroegtijdig stimuleren van niet-cognitieve vaardigheden van (zeer jonge) kinderen: motivatie, zelfbeheersing en tijdshorizon. Daar zit het probleem, en dus ook de oplossing. Deze inzichten haalt Heckman uit hersenonderzoek, die hij in zijn economische analyse integreert. In de woorden van Heckman: “I'm trying to integrate studies of early childhood into a common economic framework for policy analysis.” (zie interview in The Region)

Het werk van Heckman en het voorbeeld van therapie voor moeders met jonge kinderen als criminaliteitsbeleid laten zien dat een gespleten geest gezond is voor een econoom die zich bezighoudt met beleid – en dus ook met de bestrijding van criminaliteit. Natuurlijk, de economische theorie biedt een interessante en soms relevante manier van kijken naar het gedrag van criminelen. Maar als bijvoorbeeld geweld op straat beter is te verklaren als het resultaat van een slechte band tussen moeder en opgroeiend kind, dan moet voor een analyse van kosteneffectief criminaliteitsbeleid de ‘economics of crime’ even aan de kant. De conclusie kan dan bijvoorbeeld zijn dat het veranderen van preferenties van mensen door therapie – het domein van psychologen – kosteneffectiever is dan het verhogen van afschrikking met strengere straffen – het domein van economen.

Niet Gary Becker is de grote economisch imperialist, maar Jim Heckman

Met dit integrerend perspectief naar de werkelijkheid kijken blijkt niet vanzelfsprekend. Economen die zich met criminaliteitsbeleid bezighouden hebben het vooral over afschrikking, de optimale hoogte van boetes, kortom het slim straffen van daders (al zijn er natuurlijk gunstige uitzonderingen te vinden), en weinig over bijvoorbeeld ingrijpen in de ontwikkeling van kinderen of hoe mogelijke slachtoffers zich kunnen wapenen tegen criminaliteit. Deze blikvernauwing lijkt een erfenis van Gary Beckers artikel waarmee de ‘economics of crime’ mainstream werd. Becker presenteerde de economie van het criminaliteitsbeleid als verlengstuk van de economie van crimineel gedrag. In zijn artikel uit 1968 modelleert hij hoe met het verhogen van de pak- en strafkans crimineel gedrag is te voorkomen. Het gevolg van zijn analyse, waar in bijna ieder artikel op dit terrein op teruggegrepen wordt, is dat economische benadering van criminaliteitsbestrijding sterk geassocieerd wordt met de economische benadering van crimineel gedrag. Deze associatie is onterecht. De beleidseconoom die zich beperkt tot de economische theorie van criminaliteit is als iemand die besluit één deel van de Grote Winkler Prins encyclopedie te kopen. Dat ene deel is minstens zo belangrijk als de andere delen, maar zonder de andere delen is het van weinig nut. Wie alle vragen toch op spitsvondige wijze met dat ene deel wil oplossen is een pedant econoom die pretendeert dé theorie van crimineel gedrag te hebben gevonden. Die econoom maakt zich buiten de kringen van de economische wetenschap irrelevant. Vanuit dit oogpunt kan het economisch imperialisme van Becker nieuwe, verrassende inzichten opleveren, maar blijft de praktische relevantie er van beperkt. Dit type economiebeoefening staat náást alle andere disciplines. Het economisch imperialisme van iemand als Jim Heckman is allesomvattendheid en gaat dus veel verder en dieper dan dat van Becker. Dit type economiebeoefening staat bóven alle disciplines.

Wat is een kosteneffectieve aanpak?

De kracht van de economische analyse van criminaliteitsbeleid en andere beleidsterreinen is het stellen van een eenvoudige vraag: hoe is dit probleem kosteneffectief aan te pakken? Dat verruimt het perspectief. Neem het bestrijden van overlast van jongeren die te veel alcohol ophebben. Moet de accijns op alcohol omhoog? Dat kan, maar dan betaalt wel iedereen mee, ook de matige drinkers. Is meer cameratoezicht dan het antwoord? Ook dit is een optie die iedereen treft. En benevelde breinen laten zich door een extra oog wellicht moeilijk afschrikken. Of moet het schenkbeleid van cafébazen worden beïnvloed? Dit is moeilijk te controleren – en het weigeren van consumpties kan de gemoederen misschien juist verhitten. Dit is de werkelijkheid waarin het beleid opereert – en een zinvolle analyse op dit brede niveau is waar een econoom zijn toegevoegde waarde kan laten zien. Daar is nu de behoefte aan binnen de Haagse ministeries.

Econoom moet weten wat werkt

De ambitie van de beleidseconomie is de inzichten over ‘wat werkt’ uit alle disciplines binnen één kader te brengen. De vraag is hoe de kosten en baten van beleidsopties tegen elkaar zijn af te wegen al naar gelang de voorkeuren van politici, bijvoorbeeld de wens voor effecten op korte of op lange termijn en de wens ongunstige effecten van maatregelen op andere, onschuldige groepen te beperken. Deze brede blik maakt de economie van beleid tot een merkwaardig vak. Het vak wordt uitgeoefend door economen, maar wel een slag die de economische theorie net zo makkelijk inruilt voor theorieën van biologen, sociologen en psychologen.

Dit soort analyses is alleen uit te voeren met inzicht in de effectiviteit van alternatieve maatregelen. De vraag is niet alleen: werkt dit?, maar ook: werkt dit beter? Perfect inzicht in de effectiviteit is niet nodig, zo lang ordes van grootte maar helder zijn. Onvermijdelijk is dat een beleidseconomische analyse een aantal ‘black boxes’ telt. De kunst is de ‘black boxes’ zo te stapelen dat ze samen iets toevoegen. Wanneer Jim Heckman het heeft over het nut van vroegtijdig ingrijpen bij kinderen, doet hij dan niet op basis van zijn diepgaande kennis over de wijze waarop dat ingrijpen precies werkt. Zo is ‘motivatie’ geen economisch begrip, terwijl het wel een centrale rol speelt in Heckmans analyse. Hij heeft als econoom niet overal verstand van, maar dat maakt zijn analyse niet minder verstandig.

Referenties

Becker, Gary, 1968, Crime and Punishment: An Economic Approach, The Journal of Political Economy, vol. 76, pp. 169–217.

Heckman, James J., 2006, Skill Formation and the Economics of Investing in Disadvantaged Children, Science, no. 5782 vol. 312, pp. 1900-1902.

Bron foto: Laura Manning, Flickr

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik