Back

Artikel

Home

Depositogarantiestelsel is nodeloos ruimhartig

3 sep 2009
Onderwerpen: Financiële markten
Het depositogarantiestelsel heeft volgens velen als taak het vertrouwen in de banksector te bevorderen. Dat is misschien iets te ruim geformuleerd. De taak is eigenlijk vooral om paniek, uitmondend in een zogenaamde ‘bank run’, te voorkomen. En die taak kan op goedkopere wijze worden gerealiseerd, aldus de Twentse econoom Van der Burg.

Garantiestelsel in notendop

In de meeste landen garandeert de overheid mensen met een spaarrekening dat zij hun inleg altijd terugkrijgen. Hierbij geldt wel een maximum. Tijdens de kredietcrisis hebben veel landen dat maximum meer dan verdubbeld. In Nederland ligt dit garantiebedrag nu op 100.000 euro.

De kosten van het stelsel worden gedragen door de banken en de overheid, waarbij de precieze verdeling per land verschilt. In Nederland worden spaarders, als hun bank in gebreke blijft, in eerste instantie door de overheid gecompenseerd. Maar die kan de kosten vervolgens op alle andere banken verhalen. Helaas helpt dit de belastingbetaler maar tot op zekere hoogte. Want als een grote bank failliet gaat en de nog gezonde banken daarvoor moeten opdraaien, komen ook die banken mogelijk in de problemen, en dan moet de overheid de banksector toch weer steunen.

Het stelsel is bedoeld om spaarders vertrouwen te geven. Dat is vooral belangrijk in tijden van onrust, want alleen vertrouwen kan dan een run op de banken voorkomen. Zonder garantiestelsel was het financiële systeem vorig jaar waarschijnlijk ontploft – met alle rampzalige gevolgen van dien.

Hoge prijs voor falen

Het stelsel beschermt de spaarders. Maar de belastingbetaler kan flinke pech hebben. Zo moet de IJslandse overheid (volgens een voorlopig akkoord) vier miljard euro betalen (alleen al) om de Engelse en Nederlandse klanten van Icesave te compenseren. Dat is 13.000 euro per IJslander. Misschien wordt het bedrag nog wat lager als de overheid er in slaagt nog wat geld te halen uit de boedel van het failliete bedrijf Landsbanki, de eigenaar van Icesave. Maar het blijft hoe dan ook een hoog bedrag, dat niet alleen de belastingbetaler, maar ook de economie hard zal treffen.

Negatieve selectie

Een ander nadeel is besproken door Hartog (2008). Banken die riskante investeringen doen teneinde een hoog rendement te behalen kunnen, zolang alles goed gaat, hun spaarders ook een hoge rente bieden. Dat bevalt spaarders wel, ook omdat de overheid hun inleg toch wel garandeert. Betrouwbare banken die minder riskant investeren bieden vaak een minder hoge rente, en zien hierdoor spaarders weglopen. Maar ze moeten wel de schade helpen repareren als er weer een avontuurlijke bank failliet gaat. Het systeem steunt dus de avonturiers, terwijl we behoefte hebben aan betrouwbaarheid.

Daarbij is volgens Hartog het grootste gevaar dat het hele systeem in een negatieve spiraal omlaag getrokken wordt. Als de slechte banken failliet gaan, kunnen de goede banken worden meegezogen, omdat ze moeten opdraaien voor de schulden van de slechte banken. Zo kan het van kwaad tot erger gaan. Natuurlijk zal de overheid nooit toestaan dat op deze manier de halve banksector failliet gaat. Maar dat betekent dat de overheid uiteindelijk een hoge rekening betaalt.

Commissie Maas biedt geen oplossing

Vanwege deze nadelen heeft de Adviescommissie Toekomst Banken (2009), ook wel Commissie Maas genoemd, voorgesteld het maximumbedrag weer omlaag te brengen, tot 50.000 euro. Maar de kredietcrisis heeft ons net geleerd dat, op het moment dat er een run op de banken dreigt, veel landen 50.000 euro niet genoeg vinden. Daarom zijn de maxima vorig jaar juist zo sterk verhoogd. Dit leidde toen tot allerlei discussies en spanningen, en versterkte het gevoel dat banken niet langer zonder overheidssteun konden. Niet echt handig tijdens een crisis.

Maar hoe dan wel?

We moeten juist een stelsel hebben dat goed kan functioneren zonder aanpassingen op het laatste moment. De volgende wijzigingen kunnen hieraan bijdragen. Ten eerste: de garantie op de eerste tienduizend euro spaargeld blijft 100 procent, maar de garantie op de volgende negentigduizend gaat naar 75 procent. Wellicht kan hierbij een uitzondering gelden voor rekeningen met een rente van nul waarop mensen bijvoorbeeld de opbrengst van de verkoop van een huis kunnen parkeren. De hieruit resulterende winst voor de bank zou dan bijvoorbeeld (deels) kunnen gaan naar een fonds dat gedupeerde spaarders compenseert, of gewoon naar de overheid.

Ten tweede krijgt de toezichthouder het recht om, op het moment dat volgens hem het begin van een run op een bepaalde bank lijkt te ontstaan, bij deze bank een ‘crisisregime’ in te stellen. Dit houdt in dat hij de bank verbiedt om aan een spaarder meer uit te keren dan de overheidsgarantie. Daarbij wordt steeds uitgegaan van het hoogste saldo vanaf het begin van het regime. Iemand met tienduizend euro op zijn rekening kan dus al zijn geld meteen terugkrijgen. Iemand die bij aanvang van het crisisregime 30.000 euro op zijn rekening heeft staan en zijn geld meteen terug wil, krijgt op dat moment slechts 25.000 euro (10.000 plus 75 procent van 20.000). Maar als deze persoon zijn geld laat staan en het kort daarna zelfs aandurft om zijn saldo tot 40.000 te verhogen, dan krijgt hij gedurende het regime maximaal 32.500 terug. Als de bank na verloop van tijd weer voldoende liquide is, eindigt het crisisregime en krijgt elke spaarder desgewenst al zijn (resterende) geld terug. Maar als de bank uiteindelijk failliet gaat krijgt de spaarder het niet door de overheid gegarandeerde bedrag niet terug. Jammer. Had deze persoon maar bij een gezonde bank moeten sparen. Meer dan tienduizend euro wegzetten op een spaarrekening is in wezen beleggen. En aan beleggen kleven risico’s. Van die risico’s moet de overheid zo weinig mogelijk dragen, en daarom moet de garantie lager zijn dan 100 procent. Een garantie van 75 in plaats van 100 procent kan de overheid bij een crisis miljarden schelen. En het financiële stelsel wordt stabieler, want de spaarder gaat eerder naar een betrouwbare bank. Natuurlijk, hij kan nog steeds kiezen voor de bank met de hoogste rente. Maar de reclame van betrouwbare banken zal hem dan in elk geval doen beseffen dat hij ook geld kan verliezen.

Heeft de spaarder wel voldoende informatie?

Maar kan een spaarder wel doorgronden welke bank gezond is en welke niet? Is er wel bruikbare kennis die spaarders kan doen overstappen naar meer betrouwbare banken?

Een deel van het antwoord is te vinden in het rapport van de Tripartiete Werkgroep van De Nederlandsche Bank, de Nederlandse Vereniging van Banken, en het Ministerie van Financiën (2009). De werkgroep bespreekt onder meer een nieuw fonds dat spaarders van banken die failliet gaan moet helpen compenseren. De groep stelt dat het in principe mogelijk is om de banken jaarlijks een premie aan dat fonds te laten betalen die afhangt van het risicoprofiel van de bank. Daarbij zijn er verschillende mogelijkheden om de risicoprofielen van individuele banken vast te stellen en in categorieën in te delen (bijvoorbeeld A+, A, A-, enz.).

Dit soort berekeningen kan natuurlijk ook voor andere doeleinden gebruikt worden. Ik stel voor dat, in aanvulling op de twee eerder genoemde wijzigingen, een officiële instantie (zoals De Nederlandsche Bank) de commerciële banken in risicocategorieën gaat indelen, en de uitkomsten openbaar gaat maken. Het kan dan verder aan de (betrouwbare) commerciële banken worden overgelaten om deze informatie via bijvoorbeeld reclame-uitingen aan de spaarders door te geven. Veel spaarders zullen deze informatie ook tot zich willen nemen, want als ze naar een betrouwbare bank gaan lopen ze minder risico.

Voorkomen paniek overheidstaak

De belangrijkste functie van het garantiestelsel is het voorkomen van een run op banken. Die functie blijft intact. Het crisisregime wordt immers ingesteld voordat het aantal deposito-opnames bij een bank te hoog wordt. Bij een te groot aantal opnames tijdens een nacht met een onbereikbare toezichthouder treedt automatisch een korte, tijdelijk opnamestop in werking. En wanneer het regime eenmaal is ingesteld, is er geen reden meer voor een bankrun. Want het bedrag dat een klant nog wel mag opnemen, is precies gelijk aan de overheidsgarantie, en daarvoor hoeft hij niet hard te rennen. Natuurlijk, als de bank later failliet gaat, is hij 25 procent van zijn geld kwijt. Maar dat had ook gekund als hij in aandelen had belegd. De beurs is wel eens met meer dan 50 procent gekelderd. Zo bezien is een garantie van 75 procent nog te veel. Een garantie van 50 procent of zelfs minder is dus ook het overwegen waard.

Het voorkomen van een run op banken is een taak voor de overheid. Het uitbannen van risico’s voor beleggers, waaronder spaarders, is dat niet. Dat zou ook zinloos zijn, want die risico’s slaan altijd ergens neer. Vraag maar aan de belastingbetaler uit IJsland.

Referenties:

Adviescommissie Toekomst Banken, Naar herstel van vertrouwen, 7 april 2009.

Hartog, J., 2008, “De zelfwurgende klem van Bos’ depositogarantie”, Me Judice, jaargang 1, 28 oktober 2008.

Tripartiete Werkgroep van De Nederlandsche Bank, de Nederlandse Vereniging van Banken, en het Ministerie van Financiën, Het Nederlandse depositogarantiestelsel – een garantie voor de toekomst, Amsterdam/Den Haag, juni 2009.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik