Back

Artikel

Home

De ideale econoom staat onder druk

16 sep 2015
Onderwerpen: Economisch denken

Wat is een goede econoom? En in hoeverre staat die ver af van de econoom die vaak om advies wordt gevraagd, namelijk de academische econoom? Volgens een enquête van Van Dalen, Klamer en Koedijk krijgen in de praktijk de generalist waardering, terwijl aan de universiteit juist de specialist zijn brood verdient die druk bezig is met fondsen werven. De nadruk op publicaties in wetenschappelijke tijdschriften maakt het generalisten in de universiteit moeilijk.

Beelden

Buitenstaanders hebben soms een verwrongen beeld van wat een econoom vermag. Denken ze aan economen als wetenschappers dan verwachten ze duidelijke verklaringen van economische processen en goede voorspellingen. Denken ze aan economen als ingenieurs dan verwachten ze van hen instrumenten voor beleid. Denken ze vooral aan geld, dan verwachten ze van economen te leren hoe ze rijk kunnen worden. Mensen met deze beelden zullen teleurgesteld worden. Een beter beeld ontstaat in het besef dat het allemaal begon met een groep economen die zich nog het beste laten omschrijven als filosofen van het dagelijks brood met een diepe nieuwsgierigheid om te doorgronden wat naties rijk maakt en hoe mensen uit de armoede kunnen ontsnappen, en waarom op zich nutteloze diamanten zoveel meer waard zijn dan water dat zo essentieel is voor ons mensen.

Het zal ook helpen economen te zien als vakmensen die met allerlei vaardigheden en instrumenten economische processen proberen te vatten. De vaardigheden om als econoom je beroep uit te oefenen variëren naar tijd en plaats. Naar tijd omdat in de loop der tijd de gereedschapskist van economen voller en technischer is geworden. En naar plaats omdat de specialisatie van beroepen steeds meer diversiteit tentoon spreidt. Die specialisatie zie je bijvoorbeeld terug in de econoom die bij een pensioenfonds, een ministerie of een denktank als het CPB werkt. Zij beoefenen het economisch handwerk. Academische economen richten zich eerder op theoretische en technische hoogstandjes. En omdat zij de economie ook doceren, is hun werk, hun vernuft, leidend. Maar ook daarin heeft de student te kiezen, want de hoogstandjes van de econometrist zijn toch weer heel anders dan wat een speltheoreticus laat zien, of een gedragseconoom. zich

De open vraag is of de universiteit wel opleidt voor de beroepspraktijk. In de jaren negentig toen studenten en PhD's van de productieband rolden vierde theorie hoogtij en in de niet-academische instituten kon men de verzuchting wel eens horen dat “die studenten eerst geherprogrammeerd moeten worden voordat ze geschikt zijn.” (zie o.a. Cassidy, 1996) Sinds die tijd is veel gebeurd en is de economische wetenschap veel empirischer van aard geworden, maar de vraag is of daarmee studenten ook geschikter zijn voor het handwerk.

Wij hebben onderzocht welke kwaliteiten tellen volgens economen die in de praktijk werken en werkten. De vraag die we stelden luidt om precies te zijn “Welke kwaliteiten zijn volgens u belangrijk om als econoom in de praktijk te slagen?” We hebben deze vraag voorgelegd aan economen die lid zijn van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde (uitgezonderd de economen die verbonden zijn aan een universiteit) en tabel 1 bevat in een notendop de rangschikking van de kwaliteiten die er toe doen.

Het meest opvallende van tabel 1 is dat een visie op toekomstige ontwikkelingen als allerbelangrijkste kwaliteit wordt gezien: 75% vindt dit erg belangrijk en als je de economen erbij telt die dit enigszins belangrijk vinden dan is praktisch niemand die het onbelangrijk vindt. Het is een opvallende eigenschap omdat economen in hoge mate vinden dat het voorspellen van de lange termijn fundamenteel onmogelijk is (zie Van Dalen et al. 2015). Academische economen die zich bezig houden met voorspellen zijn allang uitgestorven. Voorspellen is het academische hoogstandwerk onwaardig. Toen de geest van Tinbergen nog rondwaarde in de academische gangen, was het bon ton om een groot macro-economisch model aan de praat te krijgen om er vervolgens mee te voorspellen Echter, de tijden zijn veranderd en wie een artikel met voorspellingen stuurt naar een internationaal tijdschrift krijgt deze per kerende email terug. De visie waarover praktijkeconomen hebben is misschien nog speculatiever dan de voorspellingen zijn. Bij de meeste academische economen hoef je daarmee niet aan te komen. Het is dus een kwaliteit die praktijkeconomen buiten de universiteit moeten ontwikkelen.

De tweede belangrijke eigenschap is de economische inzichten simpel maken. Misschien dat die kwaliteit enigszins terugkomt in de academische praktijk--want de eerstejaars moeten meegenomen worden--maar ze accordeert niet met de academische voorkeur voor complexiteit en technisch vernuft. In een doorsnee college economie hoeft een student geen inspirerende uitleg van de financiële crisis te verwachten want de docent komt al tijd te kort om zijn gehoor uit te leggen hoe alle instrumenten in de 'tool box' van de moderne econoom werken. Ook deze kwaliteit zal de econoom met aspiraties om in de praktijk te werken buiten de muren van de universiteit moeten ontwikkelen.

Tabel 1: de rangschikking van kwaliteiten van de ideale econoom in de praktijk (in %)

Onbelangrijk Enigzins belangrijk Erg belangrijk Weet niet
Visie op toekomstige ontwikkelingen 2 21 75 2
Economie simpel, begrijpelijk maken 4 24 70 2
Een gedegen kennis van de Nederlandse economie 7 37 55 2
Onderwerpen in historische context plaatsen 7 39 53 1
Brede kennis van de economische literatuur 7 42 50 1
Wiskundige/statistische kwaliteiten 4 49 45 1
Inspelen op de politieke agenda 13 45 40 2
Bewerkstelligen van consensus 23 37 35 4
Erg veel weten over één onderwerp 18 60 21 2
Goede contacten met de media 30 47 18 5

 
De lager gerangschikte kwaliteiten zoals een gedegen kennis van de economie, het vermogen om zaken in historische context te plaatsen en een brede kennis van de economische literatuur staan nog meer op gespannen voet met de houding van de academische econoom. Op universiteiten word je er in ieder geval niet voor beloond of gewaardeerd. Tabel 2 bevat een inkijkje in de rangschikking van kwaliteiten die academische economen zich zelf toedichten. We ontlenen ze aan antwoorden die zij gaven in onze enquête. We hebben niet precies dezelfde kwaliteiten gevraagd aan respondenten omdat we de vergelijkingsbasis met Amerikaans onderzoek en ons eigen onderzoek uit het verleden (Van Dalen en Klamer, 1996) wilden vasthouden en ook het eigene van de academie benadrukken, maar er vallen zowel overeenkomsten als duidelijke verschillen tussen deze twee werelden te bespeuren.

Over één ding zijn economen – in de praktijk en in de academie - het roerend eens: het verschijnen in de media is van ondergeschikt belang om mee te tellen in de wereld. Voor buitenstaanders zal deze uitkomst opvallen. Zij zien per slot van rekening Sylvester Eijffinger, Sweder van Wijnbergen en Ewald Engelen als de economen omdat zij op het scherm hun inzichten delen. Onder economen vallen dergelijke optredens evenwel slecht en roepen achterdocht op. Misschien speelt beroepsnijd mee. Wij kunnen daar alleen maar naar gissen.

De belangrijkste verschillen betreffen specialisatie en het type kennis waarover men dient te beschikken. Specialisatie wordt veel meer gewaardeerd binnen de universiteit dan daar buiten. Grondige kennis van de economie en een brede kennis van de literatuur worden van veel groter belang geacht in de praktijk dan in de universiteit. Toch moet men hier niet de conclusie uit trekken dat de kennis van academische economen nutteloos is: 63 procent van de economen in de praktijk stellen dat academische economen nuttige inzichten voor het beleid leveren, slechts 31 procent is het daar niet mee eens. De meeste economen in de praktijk weten dus hun academische collega’s op prijs te stellen.

Tabel 2: de rangschikking van kwaliteiten van de ideale universitaire econoom (in %)

Onbelangrijk Enigzins belangrijk Erg belangrijk Weet niet
Goed zijn in empirisch onderzoek 2 31 64 2
Vermogen om fondsen te verwerven 6 34 59 2
Bekwaamheid in netwerken met prominante wetenschappers 4 35 57 3
Erg veel weten over één onderwerp 13 39 43 5
Slim zijn in oplossen wiskundig-economische problemen 9 47 41 3
Uitmunten in wiskunde 9 49 39 3
Brede kennis van de economische literatuur 20 45 32 2
Grondige kennis van de economie 34 39 23 4
Regelmatig verschijnen in de media 48 36 12 5

 
De universiteit is dan ook een aparte organisatie geworden. De aandacht is vergeleken met twintig jaar geleden verschoven van theoretisch, wiskundig onderzoek naar empirisch onderzoek, maar het is ook veelzeggend dat 3 op de 5 universitaire economen zegt dat het erg belangrijk is dat je eigen broek weet op te houden door veel fondsen te verwerven (en als je economen erbij telt die dit enigszins belangrijk vinden dan is praktisch iedereen op de universiteit bezig met geld.)

Om een idee te krijgen hoe hoog de druk is binnen de muren van de universiteit is gevraagd in welke mate men druk ervaart voor bepaalde dagelijkse taken (zie figuur 1). Ogenblikkelijk ziet men hoe de publish-or-perish cultuur een overheersende invloed heeft op economische faculteiten. Ruim 80 procent ervaart een hoge druk en die druk is zeer begrijpelijk als men weet hoe het werkt. Interne verdeelmodellen van geld zijn onder andere gebaseerd op publicaties en citaties. In het verleden werden bonussen uitgedeeld voor top-publicaties. Rankings van universiteiten zijn weer gebaseerd op publicaties en het succes van fondsen aantrekken is wederom gebaseerd op citaties en publicaties. De waarde van Nederlandstalig onderzoek is de afgelopen jaren steeds minder geworden en doet het alleen nog goed onder het kopje ‘valorisatie’, een term die wetenschappers maar met heel veel moeite uit hun pen persen. Toch is dat raar, als men beseft dat 66% economen in de praktijk zegt dat zij wekelijks dan wel maandelijks een Nederlandstalig tijdschrift ter hand nemen en lezen.

Figuur 1: Hoe hoog is de druk om te presteren in Nederlandse universiteiten?

Figuur 1: Hoe hoog is de druk om te presteren in Nederlandse universiteiten?
Noot: op een schaal van 1 (totaal geen druk) tot 10 (extreem hoge druk) konden respondenten aangeven hoe zij de druk ervaren voor onderscheiden taken. In de figuur wordt 'hoge druk' vertaald als het percentage economen dat de werkdruk waardeert met een cijfer 7 of hoger.

Nu zegt werkdruk nog niet alles, maar er zijn tekenen dat het systeem dol aan het draaien is. Bijna 60 procent denkt dat het systeem aanzet tot onethische praktijken. Een derde van de economen speelt wel eens met idee om de universiteit te verlaten omwille van de publicatiedruk. Voorstanders van dit systeem zouden zeggen dat dit precies de bedoeling is: economen met een lage productiviteit moeten wijken voor nieuwe talenten die beter in het systeem passen. Maar als we alleen kijken naar de economen die regelmatig publiceren in internationale tijdschriften (twee of meer publicaties per jaar) dan nog zegt 25 procent dat zij erover denken om de academische wereld te verlaten. Dat is uiteraard minder dan een derde van de groep en uiteraard voegt maar een enkeling de daad bij het woord, maar het is nog altijd een fiks aantal en een teken dat er iets mis is met de publicatiecultuur in Nederland.

Aan universitaire economen is gevraagd of zij vinden dat de publieke onderzoeksgelden (zoals van NWO) vloeien naar de meest originele onderzoekers. Ook daar geldt dat de meerderheid (54%) stelt dat dit niet zo is;een kleine minderheid (17%) schaart zich achter het bestaande beleid. Nu kan men dit direct afdoen als een geval van zure druiven van economen die nooit publiceren of nooit geld krijgen. Maar als we de mening van economen tellen die jaarlijks twee of meer artikelen publiceren in internationale tijdschriften dan wordt het beeld alleen maar duidelijker: 67% vindt dat onderzoeksgelden niet naar de meest originele onderzoekers gaan.

Tot slot, een andere vraag die het succes van het Nederlandse onderzoeksbeleid zou kunnen meten is de vraag of er onder de huidige economen die in Nederland werken een toekomstige Nobelprijswinnaar bevindt: 5% van de economen kan zich wel voorstellen dat dit gebeurt, maar de overgrote meerderheid ziet het niet of weet het eenvoudigweg niet. Een nieuwe Tinbergen zit er ondanks de grote prestatiedwang waarschijnlijk niet bij. Waar is die prestatiedwang dan goed voor, zou de vraag kunnen zijn.

De wetenschapper zonder eigenschappen

Arie Kapteyn zei ooit eens dat hij geen enkel ander land kent waarin men denkt in A-, B- en C-publicaties en dat was een veelzeggend commentaar. Kapteyn was ooit een van de initiatiefnemers die een ranglijst in Intermediair opstelde wie meetelt in de internationale gemeenschap van economen. Inmiddels verzuipen economen in de ranglijsten. Wellicht dat er geen andere beroepsgroep is die zich zo bekommert om een plaats op een ranglijst als de Nederlandse academische economen.

In een cultuur waarin alleen telt wat geteld kan worden is het slecht toeven voor intellectuelen. Deze ontregelende generalisten die zich niets aantrekken van grenzen en altijd op zoek zijn naar het goede argument vormen een wezenlijk onderdeel van een wetenschappelijke gemeenschap. Althans, dat zou een redelijke toeschouwer kunnen denken. Kees Schuyt hield in 2004 al een vurig pleidooi voor de intellectueel, voor de denker, en waarschuwde dat deze het verliest van de anti-intellectueel die het product is van versmalling en specialisatie. De anti-intellectueel smaalt om ‘bildung’, is ongeïnteresseerd in de geschiedenis en filosofie van de eigen discipline, en mijdt gesprekken met andersdenkenden. Onder anti-intellectuelen zijn intellectuelen voer voor grappen en grollen. Keynes was teveel een intellectueel en dat gold zeker ook mensen als John Kenneth Galbraith en de Nederlander Bob Goudzwaard. Dat Adam Smith ok is, dankt hij aan het feit dat zijn geschriften zich niet op de kleine boekenplanken van de anti-intellectueel bevinden. Zijn reputatie voldoet.

Volgen we de praktijkeconomen dan zou de economische wetenschap juist baat hebben bij intellectuelen in haar gemeenschap, ook al zijn het maar een paar om met Schuyt te spreken. In de moderne universiteit worden in korte tijd wetenschappers klaar gestoomd die welhaast geen eigenschappen hebben. Dit draagt het gevaar met zich mee dat economen die al van nature gevoelig zijn voor modes in de wetenschap zich laten meeslepen door het gesprek van de dag. Een tegenkracht in het geweld van het debat is vaak node gewenst omdat economische politiek te veelomvattend en te belangrijk is om aan economen over te laten (Klamer en McCloskey, 2012). Ook in dit opzicht zijn mensen als Tinbergen en Keynes, maar ook Hayek, Buchanan en McCloskey lichtende voorbeelden.

In het licht van de dagelijkse praktijk concluderen we dat de academische praktijk zorgwekkend is. De verregaande specialisatie gecombineerd met de publicatiedrang en de noodzaak van fondsenwerving dreigt academisch onderzoek in toenemende mate te verstikken. Waar is de ruimte voor vernieuwende denkers? Is dit niet een goede tijd voor het eerherstel van de intellectueel in de economie? Maar ook: zou de academie niet meer ruimte moeten bieden voor de ontwikkeling van brede economische kennis (zie Van Dalen en Koedijk, 2012), het goed kunnen "lezen" van actuele economische situaties en de inzichten helder en eenvoudig kunnen overbrengen? Al scoren die kwaliteiten niet goed op academische conferenties, het zijn wel de kwaliteiten waar economen in de praktijk op scoren.

* Dit is de vierde bijdrage op basis van een enquête die wij in november 2014 – februari 2015 hebben gehouden onder economen verbonden aan Nederlandse universiteiten (N = 450) en leden van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde (N = 403). De eerdere bijdragen waren:

En deze zijn terug te lezen op deze site. Dit onderzoek komt mede tot stand met hulp van de Stichting Steunfonds van Tilburg University.

Referenties

Cassidy, J., 1996, The Decline of Economics, The New Yorker, 2 december 1996, 

Dalen, H.P. van en A. Klamer, 1996, Telgen van Tinbergen – Het verhaal van de Nederlandse economen, Balans, Amsterdam.

Dalen,H.P. van, en K. Koedijk, 2012, Gevraagd nieuwe kijk op economie, Me Judice, 7 juni 2012.

Klamer, A. en D. McCloskey, 2012, De toekomst is aan de brede econoom, in H. van Dalen en K. Koedijk (red.) Nieuwe kijk op economie gevraagd, Tilburg, blz. 35-38.

Schuyt, K., 2004, Niet iedereen hoeft een intellectueel te zijn, maar een dozijn per generatie is toch niet te veel gevraagd?, NRC Handelsblad, 18 september 2004, p. 15.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik