Back

Artikel

Home

De energiemiljarden zijn van ons

9 feb 2009
Onderwerpen: Energie, Openbare financiën
Er dreigt een strijd te ontbranden tussen de provincies en de rijksoverheid, met de Essent-miljarden als inzet. Dit geld kan beter terug naar de burger vindt de Groningse econoom Maarten Allers. Overheden moeten niet over “gratis geld” beschikken uit aandelenbezit, maar belasting heffen als ze projecten willen financieren.

De aanstaande verkoop van deelnemingen in Essent (8 miljard euro) en Nuon (iets minder) lijkt de provincies en een aantal gemeenten grote bedragen op te gaan leveren. Zeker in verhouding tot de provinciale uitgaven, die maar zo’n zes miljard euro per jaar beslaan. Diverse provincies hebben al ambitieuze investeringprogramma’s aangekondigd, waarmee ze willen benadrukken dat het geld bij hen in goede handen is. Dat doen zij niet voor niets, want ze weten dat de rijksoverheid hen op de vingers kijkt. Het Rijk is de grootste financier van de provincies, en vraagt zich af of dat nog wel zo nodig is. Op dit moment wordt opnieuw gekeken naar de verdeling van het geld uit het Provinciefonds. Daaruit ontvangen de provincies een jaarlijkse uitkering van het Rijk, die zij naar eigen inzicht mogen besteden. Bij de evaluatie van het Provinciefonds komt nadrukkelijk de vraag naar voren of het niet wat minder kan. Al enige tijd bestaat namelijk de indruk dat provincies ruim bij kas zitten. De aanstaande bonanza uit de energiebedrijven helpt natuurlijk niet om deze indruk weg te nemen.

Gratis geld leidt tot ondoelmatigheid

Er zijn goede redenen om bij het Provinciefonds rekening te houden met inkomsten uit aandelenbezit. Sommige provincies zijn de afgelopen jaren in staat geweest om een aanzienlijk deel van hun uitgaven te bekostigen uit dividendopbrengsten. Als Essent en Nuon worden verkocht, zal een deel van de opbrengst worden belegd, zodat die inkomstenstromen blijven bestaan. Dat lijkt ideaal: de burger krijgt voorzieningen, maar betaalt daarvoor weinig belasting. Maar zo is het natuurlijk niet. Die provinciale vermogens zijn eigendom van de inwoners. In feite hebben wij een deel van ons vermogen bij de provincie gestald. Die kan vrijelijk beschikken over de opbrengst daarvan. Dit is een verkapte belasting, waarvan bijna niemand zich realiseert dat die bestaat (Gerritsen, 2007). Waarom is dit slechter dan een echte belasting? Omdat belastinggeld voorzichtiger wordt uitgegeven. Economen noemen dit potjesdenken of mental accounting (Thaler, 1999). “Gratis” geld wordt vrijmoediger besteed dan geld dat “verdiend” moet worden – kijk maar naar mensen die de loterij winnen. Als de provincie voor de financiering van een bepaald project bij de belastingbetaler moet aankloppen, zal een betere afweging worden gemaakt tussen de kosten en de opbrengsten. Immers, politici willen herkozen worden, en belastingen maken niet populair. Beschikt de provincie over automatische inkomsten, dan komt de vraag of dat geld moet worden uitgegeven of niet, helemaal niet aan de orde. Het wordt uitgegeven. De vraag is alleen nog: waaraan.

Belasting noodzaak

Daarom is het beter provincies (en gemeenten) zelf belasting te laten heffen. Door het belastingtarief te vergelijken met dat in andere provincies krijgt de burger een idee van de door bestuurders geleverde prestaties (yardstick competition; Allers en Elhorst, 2005). Een eerlijke vergelijking maakt het afromen van de miljarden van de energiebedrijven noodzakelijk. Provincies heffen nu ook belasting, maar dit wordt door weinigen opgemerkt. Het gaat namelijk uitsluitend om de opcenten op de motorrijtuigenbelasting. Die liften ongemerkt mee met het bedrag dat iedere autobezitter aan ’s Rijks schatkist betaalt. Met de invoering van rekeningrijden (2012?) zal de motorrijtuigenbelasting verdwijnen. Provincies zitten dan zonder belasting. Het is belangrijk dat zij daar een andere belasting voor terugkrijgen. Maar dan wel één die zichtbaar is, zoals een ingezetenenbelasting, een vast bedrag per inwoner of huishouden.

Aandelenbezit is historisch toeval

Er is nog een reden om iets te doen aan de energie-miljarden. Het is namelijk de bedoeling de uitkering uit het Provinciefonds eerlijk te verdelen. Dat betekent dat elke provincie zou in staat moeten zijn om zijn inwoners bij eenzelfde belastingdruk gelijkwaardige voorzieningen te bieden. Dit uitgangspunt staat bekend als het derde aspiratieniveau van Goedhard. Op die manier kan iedere Nederlander van de overheid hetzelfde verwachten, of hij nu in Groningen woont of in Zeeland. Er wordt daarom bij de verdeling van het Provinciefonds rekening gehouden met verschillen in kosten die provincies moeten maken. Als sommige provincies echter grote inkomsten hebben uit eigen middelen – met name uit belangen in nutsbedrijven – en andere niet, komt er van die eerlijke verdeling natuurlijk weinig terecht. En dat is het geval. Zo hebben Flevoland en Drenthe in tegenstelling tot de andere provincies niet of nauwelijks aandelen Essent of Nuon. Dat is hen niet aan te rekenen: toen de energiebedrijven werden opgericht stond Flevoland nog onder water, en was in Drenthe nog nauwelijks vraag naar stroom. Het is niet terecht dat inwoners van rijke provincies nu betere voorzieningen krijgen dan inwoners van arme provincies.

We want our money back

Moeten de Essent-miljarden dan maar naar de rijksoverheid? Natuurlijk niet. Geef het terug aan de eigenaar: de burger. Zamel de opbrengst in en verdeel het gelijkelijk onder de inwoners van het land. Als energieleverantie geen overheidstaak meer is, kan het geld dat de burger de overheid daarvoor beschikbaar heeft gesteld weer retour. Dat moet niet ongevraagd aan iets anders worden besteed. Als overheden geld nodig hebben voor andere projecten, moeten ze de burger daar maar om vragen. Als ze dat niet aandurven is het is het sop de kool niet waard. Democratie is tenslotte niet voor bange mensen.

Referenties:

Allers, M.A. en J.P. Elhorst (2005) Tax mimicking and yardstick competition among local governments in the Netherlands, International Tax and Public Finance, 12, 493-513.

Gerritsen, E. (2007), Vermogensstructuur van decentrale overheden: theorie en empirie, Groningen.

Thaler, R.H. (1999), Mental Accounting Matters, Journal of Behavioral Decision Making, 12: 183-206.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik