Back

Artikel

Home

De crisis als de grote reiniger

21 sep 2010
Onderwerpen: Publieke sector
De crisis kan paradoxaal genoeg wel eens een zegen zijn voor de overheid en de waardering voor haar diensten. Door immer maar mee te gaan in de tredmolen met het vraag- en aanbodspel voor beleid is er een permanente onvrede omdat de vraag altijd veel groter is dan het aanbod. Gedwongen door de crisis moeten overheden wel ‘nee’ verkopen aan burgers en wordt voor hen dan eindelijk duidelijk hoe waardevol de overheid is.

Eén uitkomst van het potsierlijke gezelschapspel dat coalitie formeren heet is reeds lange tijd bekend: het nieuwe kabinet zal een ongekend bedrag aan bezuinigingen op moeten hoesten. Enerzijds om het hoog opgelopen tekort op de begroting terug te dringen. Anderzijds om de overheidshuishouding op orde te krijgen voordat de vergrijzing in zijn volle omvang toeslaat. Vanuit sommige politieke stromingen wordt gewezen op het economische gevaar dat bijzonder fors saneren betekent: vraaguitval, zeker als dit op Europese of zelfs mondiale schaal optreedt. Anderen wijzen op mogelijk nadelige sociale gevolgen van de bezuinigingen: met name voor diegenen die het niet gemakkelijk hebben en in hoge mate afhankelijk zijn van de publieke sector.

Voor alle standpunten zullen ongetwijfeld acceptabele argumenten aan te treffen zijn. Ik zal ze hier echter niet bespreken: daar is het debat voor. Ik wil echter wijzen op een belangrijk positief effect van grootschalige bezuinigingen dat niet een direct economische dimensie heeft. Een forse budgettaire ingreep is de enige –met uitroeptekens- manier om de continu groeiende interventie van overheden in het maatschappelijk leven terug te dringen. Met het paradoxale gevolg dat het de enige redding voor de publieke sector zelf is.

Om deze stelling te onderbouwen: eerst een uitstapje naar de markt van overheidsinterventie; want ook dit is een markt met vraag en aanbod.

Aanbod beleid

We beginnen met het aanbod. Dit wordt verzorgd door politiek gekozen bestuurders en (de top van) overheidsorganisaties. Bestuurders laten zich primair leiden door de electorale prikkel en zullen daarom vrijwel altijd geneigd zijn om tot interventie over te gaan, dan wel die belofte te doen. Immers, bij elke –al dan niet vermeende- misstand of incident in het maatschappelijk leven worden bestuurders geconfronteerd met het drietal onvermijdelijke vragen

• Hoe heeft dit kunnen gebeuren?

• Wat gaat u er aan doen?

• Kunt u ons garanderen dat dergelijke voorvallen zich nooit mee voor zullen doen?

En vrijwel elke bestuurder zal op basis van die confrontatie reageren met een interventie. Natuurlijk zal een ‘rechtse’ bestuurder meer ontvankelijk zijn voor een voorval op veiligheidsgebied en een ‘linkse’ bestuurder eerder ingaan op een vraag die met welzijn te maken heeft , maar een reactie komt er. En die reactie zal zelden of nooit de aard hebben van “Nee, ik doe er niets mee; daar is de overheid niet voor; dat moet u zelf maar opknappen”.

Het aanbod van overheidsinterventies wordt niet alleen politiek gestuurd. Ook overheidsorganisaties hebben de neiging om autonoom te groeien. Uit de bureaucratietheorieën is bekend dat managers van die overheidsorganisatie uit puur materieel eigenbelang de groei (of het bestaansrecht) van hun organisatie nastreven. Maar er is een nog veel belangrijker reden die achter de autonome groei van overheidsorganisaties ligt. De overgrote meerderheid van de mensen die er werken is namelijk overtuigd van het belang van overheidsinterventie op hun terrein. En dat is allesbehalve vreemd. Jeugdzorgers ervaren continu grof misbruik van jonge kinderen. De bouwers van Rijkswaterstaat zien dagelijks het aantal files groeien. Agenten en justitie worden dagelijks geconfronteerd met (grove) criminaliteit. Niet zozeer het economisch eigenbelang, maar juist de betrokkenheid bij het eigen werkveld leidt tot een fors pleidooi om het aanbod van diensten te vergroten.

Vraag naar beleid

En dan de vraag; die wordt uitgeoefend door burgers en bedrijven. Omwille van een scala aan redenen is het verwachtingspatroon van ‘de burger’ ten opzichte van de overheid bijzonder groot. Enerzijds is –natuurlijk generaliserend- de burger meer dan bereid om stevig te werken en middels het daaruit voortkomende inkomen te voorzien in zijn eigen behoeften. Anderzijds vindt hij –wederom generaliserend- dat hij het recht heeft om gevrijwaard te worden voor alle risico’s die hij niet onder controle heeft en verzorgd te worden op terreinen die hij niet met het privaat verworven inkomen kan inkopen. Met andere woorden stelt de burger onbegrensde eisen aan de overheid op de terreinen van zorg, veiligheid, infra-structuur, onderwijs en noem het maar op. Net zoals bij het aanbod zal de prioriteitsstelling bij burgers (en bedrijven!) verschillend zijn, maar de gemeenschappelijke noemer –de overheid moet zorgen voor…..- staat voorop.

Vraag en aanbod sluiten dus mooi op elkaar aan. De vraag naar overheidsinterventie is vrijwel oneindig en de aanbieders gaan hier gretig op in. Met als gevolg van het laatste dat de vragers bevestigd worden in het beeld van de aanbieders (“Jullie hebben toch beloofd dat er geen wachtlijsten in de zorg zouden zijn….”) waardoor de vraag naar meer en betere interventie alleen maar stijgt.

Altijd onvrede

Er zijn echter minstens twee bijzonder zorgelijke gevolgen van dit patroon. De eerste is de permanente armoede waarin de publieke sector lijkt te verkeren, ondanks de toegenomen welvaart. Omdat de eisen die gesteld worden steeds hoger worden en omdat budgettaire middelen altijd beperkt zijn is de beleving van ‘armoede’ ook permanent. Overvolle collegezalen, propvolle wegen, structurele wachtlijsten in de zorg en de immer trage werking van de overheidsbureaucratie: we zijn er bijna aan gewend. Het tweede gevolg is de even permanente onvrede van de burger met ‘zijn’ overheid. Aan geen van de torenhoge verwachtingen wordt voldaan: vandaar de structurele frustratie. De populariteit van populistische partijen kan mijns inziens beter uit het hier geschetste patroon verklaard worden dan uit welk xenofobisch onderbuikgevoel ook.

Door crisis komt (wellicht) herwaardering

Een forse crisis kan het patroon van uitdijende overheidsinterventie deels doorbreken. Tientallen miljarden aan bezuinigingen kunnen niet anders dan gerealiseerd worden door het fundamenteel schrappen of inkrimpen van overheidsinterventies. Met als gevolg dat bestuurders en overheidsorganisaties wel een stevig ´nee´ op vragen van burgers en bedrijven moeten geven. En met als gevolg dat die burgers merken dat er ook grenzen zijn aan de beschermende en verzorgende rol van die overheid. En met wellicht –maar nu word ik heel optimistisch- het gevolg dat er ook meer waardering groeit voor het resterende optreden van die overheid.

Bron foto: Flickr

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik