Back

Artikel

Home

De buitenwacht: De maatschappelijke inbedding van de markt

11 okt 2016
Onderwerpen: Economisch denken
Uit verschillende hoeken komen geluiden naar voren dat de economie meer kennis moet nemen van wat er in andere disciplines gebeurt. Me Judice heeft de handschoen opgepakt en stelt auteurs uit verschillende disciplines de eenvoudige vraag wat kunnen economen van hen leren? En hoe kijken zij naar de wijze waarop economen de samenleving bestuderen. Vandaag een bijdrage van de economisch socioloog Olav Velthuis, die laat zien hoe sociologen de inbedding van de markt bestuderen op een wezenlijk andere manier dan economen doen en daarmee complementaire inzichten geeft. Beide disciplines zouden veel van elkaar kunnen leren als men de wederzijdse stereotype beelden achterwege laat.

Ongesocialiseerd

‘Undersocialized’ en ‘disembedded’, zo karakteriseerde Stanford-socioloog Mark Granovetter midden jaren tachtig het neoklassieke economische paradigma (Granovetter 1985). Het waren de hoogtijdagen van de Chicago school. Ze hadden de neoliberale wind van Margaret Thatcher en Ronald Reagan in de rug. Gary Becker was sinds 1984 niet alleen hoogleraar economie maar ook hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Chicago. Hij en zijn collega’s gingen er prat op dat het neoklassieke perspectief – rationeel kiezende individuen die hun nut maximaliseren - ook buiten de economie toepasbaar was, en vooral op terreinen die tot dan toe aan sociologen waren voorbehouden.

Voor Granovetter was het tijd voor een tegenoffensief. Zijn pijlen richtte hij in eerste instantie op Oliver Williamsons transaction cost economics, die indertijd snel aan populariteit won. De belangrijkste kritiek: Williamson besteedt geen aandacht aan de sociale netwerken waarin economische interactie is ingebed. Vertrouwensrelaties die binnen zulke netwerken ontstaan, zijn volgens Granovetter een organisatievorm op zich, naast de 'markets en hierarchies' die Williamson onderscheidt. Netwerken stellen actoren in staat om op transactiekosten te besparen: wie in een markttransactie kan vertrouwen op de tegenpartij, loopt bijvoorbeeld minder risico dat die tegenpartij informatievoordelen uitbuit en hoeft dus minder kosten te maken om zich tegen dat risico in te dekken.

Granovetter’s artikel, dat in het American Journal of Sociology verscheen en inmiddels meer dan 30 duizend keer is geciteerd volgens Google Scholar, blies een oude traditie van klassieke sociologen zoals Emile Durkheim, Georg Simmel en Max Weber nieuw leven in. Aan het einde van de negentiende en begin van de twintigste eeuw bestudeerden zij de economie al vanuit sociologisch perspectief. Sinds de jaren tachtig is de zogeheten New Economic Sociology vooral in de Verenigde Staten uitgegroeid tot een omvangrijk en in verschillende opzichten divers vakgebied (zie bijvoorbeeld Smelser and Swedberg 2010; Dobbin 2004 voor overzichtswerken). Aanvankelijk verhield de economische sociologie zich uitdrukkelijk tot de economische wetenschap. Helaas gebeurde dat vaak op een weinig productieve manier: er werd dan een stroman opgericht van een clichématig, rabiaat-Beckeriaans, neoklassiek paradigma, om dat vervolgens af te branden (een eigenschap waarvan heterodoxe economen nog steeds een handje hebben).

De economische sociologie als discipline blaakt inmiddels van zelfvertrouwen..

Maar die tijden zijn voorbij. Dat komt deels doordat de economische sociologie als discipline inmiddels van zelfvertrouwen blaakt, en haar wetenschappelijke identiteit daarom minder dan in het verleden ten opzichte van een rivaliserende discipline hoeft te definiëren. Een andere oorzaak is dat de economische sociologie en de economische wetenschap in sommige opzichten dichter naar elkaar toe zijn gegroeid de afgelopen 25 jaar. Denk bijvoorbeeld aan concepten als vertrouwen, sociale normen, instituties, informatie-asymmetrie, collectieve actie problemen, of sociale netwerken die in beide disciplines veelgebruikt worden, of aan de invloed van de Carnegie School van Herbert Simon c.s. op beide disciplines (bijvoorbeeld op het Neo-institutionalisme binnen de sociologie, of op 'behavioral economics' binnen de economische wetenschap).

Inbedding economie

Wat economen van deze economische sociologie kunnen leren is hoe de economie op uiteenlopende wijzen is ingebed in bredere maatschappelijke structuren, sociale netwerken, en culturele betekenissystemen. Bij die inbedding horen actoren die niet louter door het nastreven van nut worden gemotiveerd, maar ook uit zijn op bijvoorbeeld erkenning, status en macht.

Concreet betekent dit enerzijds dat economisch sociologen geheel andere vragen stellen over concepten als markten, consumptie of geld dan economen gewend zijn. Anderzijds geven zij geheel andere antwoorden op vragen die economen gewend zijn te stellen.

In de eerste categorie vind je sociologische studies naar bijvoorbeeld de manier waarop het verlangen van consumenten om zich enerzijds van anderen te onderscheiden (Bourdieu 1987), en anderzijds met groepen te identificeren (Schor and Holt 2000), hun consumptiegedrag bepaalt; naar de wijze waarop valutahandelaren die over de hele wereld verspreid werken en elkaar nooit in levenden lijve treffen, niettemin in staat zijn om gemeenschapsbanden op te bouwen en elkaar voortdurend giften toespelen (Knorr Cetina and Bruegger 2002); of naar de manieren waarop kinderen tot en met de 19e eeuw doorgaans als handelswaar werden beschouwd, maar vanaf de 20e eeuw, in Europa en de Verenigde Staten althans, een ‘sacrale’ betekenis krijgen en daarom niet langer met geld mogen worden geassocieerd (Zelizer 1985 [1994]).

In de tweede categorie vind je studies die laten zien hoe de fysieke organisatie van een handelsvloer en de concrete samenstelling van handelsteams, financiële instellingen helpt om arbitragemogelijkheden te creëren (Stark and Beunza 2004); hoe volatiliteit op een aandelenmarkt paradoxaal genoeg kan stijgen als het aantal actieve beurshandelaren toeneemt en vice versa (Baker 1984); of, in mijn eigen onderzoek, hoe het beprijzen van kunstwerken niet los gezien kunnen worden van een rijk web aan gedeelde betekenissen die deze prijzen hebben voor kunsthandelaren, kunstenaars en kunstkopers (Velthuis 2005; cf. Beckert 2011; Uzzi and Lancaster 2004).

Sociologie van de markt

Het meest bloeiende onderzoeksgebied binnen de economische sociologie van dit moment draait om markten. Wat economen hier van sociologen kunnen leren, is hoe markten ontstaan (dat gebeurt, in tegenstelling tot wat economen als Hayek willen doen geloven, allerminst spontaan) en hoe ze stabiel blijven. Die stabiliteit is voor sociologen weinig vanzelfsprekend; markten zijn immers arena’s waar actoren samenkomen die een belangenconflict hebben, en vaak allerlei middelen (denk aan informatie-asymmetrie) om dat conflict te beslechten. Instabiliteit ligt daardoor op de loer (Beckert 2009).

De vraag naar het ontstaan en voortbestaan van markten wordt door sociologen op grofweg vier verschillende manieren beantwoord: om te beginnen door, in de traditie van Granovetter, onderzoek te doen naar sociale netwerken. Onder welke omstandigheden komt bijvoorbeeld vertrouwen tot stand (Kollock 1994; Molm, Takahashi and Peterson 2000)? Welke netwerken leveren actoren relevante informatie voor markttransacties? Welk type netwerken draagt bij aan marktsucces (Uzzi 1997)?

Een tweede antwoord is in termen van instituties, maar die worden wel veel breder opgevat dan in het new institutionalism van Williamson. Neil Fligstein is een van de belangrijkste exponenten van deze institutionele school. In The Architecture of Markets laat hij zien hoe bedrijven doorgaans proberen harde concurrentie op prijs te vermijden vanwege de onzekerheid die dat oplevert. In plaats daarvan zoeken zij naar onderlinge coalities en proberen zij concurrentie door de invoering van standaardisering en regulering, ten eigen voordele natuurlijk, aan banden te leggen. Overheden spelen in dat proces een belangrijke rol (Fligstein 2002); het is geen toeval dat de natiestaat en het moderne bedrijfsleven historisch vrijwel gelijktijdig het ligt zien (Dobbin 1994). Een andere belangrijke bijdrage aan het leveren van marktstabiliteit is volgends deze institutionele sociologen de vorming van categorieën. Denk daarbij aan productcategorieën of industriële classificaties. Ze fungeren als cognitieve instrumenten die actoren helpen om met onzekerheid om te gaan (Lounsbury and Rao 2004). Veelgeciteerd werk van Ezra Zuckerman laat bijvoorbeeld zien dat beursgenoteerde bedrijven een lagere koers hebben, als analisten er niet in slagen het bedrijf in een duidelijke bedrijfscategorie te positioneren, en daardoor minder aandacht aan dat bedrijf besteden (Zuckerman 1999).

De derde benadering legt de nadruk op de culturele inbedding van markten; de vraag is hier hoe culturele betekenissystemen en opvattingen over legitimiteit de organisatie van markten mede bepalen. De Princeton-sociologe Viviana Zelizer heeft bijvoorbeeld in haar werk laten zien dat in de negentiende eeuw een markt voor levensverzekeringen niet van de grond kwam omdat een levensverzekering door christenen gezien werd als een prijskaartje op de dood. Pas toen verzekeringsmaatschappijen erin slaagden deze collectieve betekenis van een levensverzekering om te buigen, van een prijskaartje op de dood naar een morele plicht om te zorgen voor het nageslacht, kwam de markt van de grond (Zelizer 1979; cf. Chan 2009 voor soortgelijke bevindingen in China).

Het vierde, meest recente perspectief op het ontstaan en voortbestaan van markten is vanuit de notie van performativiteit, waarmee bedoeld wordt dat de economische wetenschap de werkelijkheid niet alleen beschrijft of analyseert, maar ook ‘iets doet’ met die werkelijkheid. Preciezer gezegd: economen brengen regelmatig zelf de werkelijkheid tot stand, die zij in hun theorie veronderstellen.

Het punt is dat de economische theorie in eerste instantie geen juiste afspiegeling van de werkelijkheid vormt, maar door haar eigen performatieve invloed een werkelijkheid tot stand brengt die in de theorie was verondersteld.

In dit perspectief staat de relatie tussen de economische wetenschap en haar onderzoeksobject dus centraal. Denk aan Milton Friedmans monetarisme dat wereldwijd zijn weg vond in het beleid van centrale banken (Callon 1998), Michael Jensens agency theorie die aan de grondslag lag van de aandeelhoudersrevolutie van de jaren tachtig (Dobbin and Jung 2010), of de formule van Black en Scholes die de onstuimige groei van markten voor financiële derivaten mogelijk maakte (MacKenzie 2006). Het punt hier is niet dat economische inzichten relevant zijn voor beleidsmakers of bedrijven, wat natuurlijk alleen maar lovenswaardig is. Het punt is dat de economische theorie in eerste instantie geen juiste afspiegeling van de werkelijkheid vormt, maar door haar eigen performatieve invloed een werkelijkheid tot stand brengt die in de theorie was verondersteld.

Deze vier verschillende benaderingen van markten geven al aan dat de economische sociologie theoretisch pluriform is, wat het academisch debat binnen de discipline ten goede komt. Datzelfde geldt voor de methoden die gebruikt worden: het uitgangspunt (helaas vaak in theorie, lang niet altijd in de praktijk) is dat de gebruikte methode door de onderzoeksvraag wordt gedicteerd, waarbij uiteenlopende kwalitatieve en kwantitatieve methoden als interviews, participerende observatie, analyse van grootschalige survey-data, experimenten, netwerkanalyse of, recenter, geautomatiseerde tekstanalyse van grootschalige corpora tot de gereedschapskist behoren. Ook daarvan kunnen economen leren.

Zoek de dialoog

Ik hoor lezers al vele tegenwerpingen noemen: dat weten we toch al lang; dat heeft helemaal niets te maken met economische wetenschap; dat laat zich toch niet modelleren; dat is toch niets anders dan wat wij in de economische wetenschap vatten onder ‘signalling’ of ‘regulatory capture’; dat zijn toch niets meer dan anecdotische inzichten, etc.. Mijn indruk is dat economen vaak een clichématig beeld van de sociologie hebben, en daardoor zelfs sociologisch onderzoek dat in hun eigen onderzoekstraditie ligt (hypothesetoetsend, gebruik makend van grote datasets, zoekend naar empirische regulariteiten, of in sommige gevallen zelfs voorspellingen) over het hoofd zien. Zonde, want de kloof tussen beide disciplines mag dan nog wel bestaan, zij is kleiner dan voorheen. Na dertig jaar koude oorlog, is het tijd voor dialoog.

Referenties:

Baker, Wayne E. 1984. "The Social Structure of a National Securities Market." American Journal of Sociology 89 (4): 775-811.

Beckert, Jens. 2009. "The Social Order of Markets." Theory and Society 38 (3): 245-269.

———. 2011. "Where do Prices Come from? Sociological Approaches to Price Formation." Socio-Economic Review 9 (4): 757-786.

Bourdieu, Pierre. 1987. Distinction. Harvard: Harvard University Press.

Callon, Michel. 1998. "Introduction: The Embeddedness of Economic Markets in Economics." In The Laws of the Markets, edited by Michel Callon, 1-58. Oxford: Blackwell.

Chan, Cheris Shun-ching. 2009. "Creating a Market in the Presence of Cultural Resistance: The Case of Life Insurance in China." Theory and Society 38 (3): 271-305.

Dobbin, Frank. 1994. Forging Industrial Policy: The United States, Britain, and France in the Railway Age Cambridge University Press.

———. 2004. The New Economic Sociology: A Reader. Princeton: Princeton University Press.

Dobbin, Frank and Jiwook Jung. 2010. "The Misapplication of Mr. Michael Jensen: How Agency Theory Brought Down the Economy and Why it might Again." Research in the Sociology of Organizations 30 (1): 29-64.

Fligstein, Neil. 2002. The Architecture of Markets. an Economic Sociology of Twenty-First-Century Capitalist Societies. Princeton: Princeton University Press.

Granovetter, Mark. 1985. "Economic Action and Social Structure: The Problem of Embeddedness." American Journal of Sociology 91 (3): 481-510.

Knorr Cetina, Karin and Urs Bruegger. 2002. "Global Microstructures: The Virtual Societies of Financial Markets." American Journal of Sociology 107 (4): 905-950.

Kollock, Peter. 1994. "The Emergence of Exchange Structures: An Experimental Study of Uncertainty, Commitment, and Trust." American Journal of Sociology 100 (2): 313-345.

Lounsbury, Michael and Hayagreeva Rao. 2004. "Sources of Durability and Change in Market Classifications: A Study of the Reconstitution of Product Categories in the American Mutual Fund Industry, 1944–1985." Social Forces 82 (3): 969-999.

MacKenzie, Donald. 2006. An Engine, Not a Camera. how Financial Models Shape Markets. Cambridge: MIT Press.

Molm, Linda D., Nobuyuki Takahashi, and Gretchen Peterson. 2000. "Risk and Trust in Social Exchange: An Experimental Test of a Classical Proposition." American Journal of Sociology 105 (5): 1396-1427.

Schor, Juliet and Douglas Holt. 2000. The Consumer Society Reader. New York: The New Press.

Smelser, Neil J. and Richard Swedberg. 2010. The Handbook of Economic Sociology Princeton university press.

Stark, David and Daniel Beunza. 2004. "Tools of the Trade: The Socio-Technology of Arbitrage in a Wall Street Trading Room." Industrial and Corporate Change 13 (2): 369-400.

Uzzi, Brian. 1997. "Social Structure and Competition in Interfirm Networks: The Paradox of Embeddedness." Administrative Science Quarterly 42: 35-67.

Uzzi, Brian and Ryon Lancaster. 2004. "Embeddedness and Price Formation in the Corporate Law Market." American Sociological Review 69 (3): 319-344.

Velthuis, Olav. 2005. Talking Prices. Symbolic Meanings of Prices on the Market for Contemporary Art. Princeton: Princeton University Press.

Zelizer, Viviana A. 1979. Morals and Markets. the Development of Life Insurance in the United States. New York: Columbia University Press.

———. 1985 [1994]. Pricing the Priceless Child. the Changing Social Value of Children. 1994th ed. Princeton: Princeton University Press.

Zuckerman, Ezra W. 1999. "The Categorical Imperative: Securities Analysts and the Illegitimacy Discount." American Journal of Sociology 104 (5): 1398-1438.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik