Back

Artikel

Home

Communicatie maakt mensen vrijgeviger

23 dec 2010
Onderwerpen: Publieke sector, Sociale zekerheid
Groep vrijwilligers tijdens collecte voor Haiti In een eenvoudig experiment laten de Amerikaanse economen James Andreoni en Justin Rao zien dat communicatie mensen vrijgeviger maakt. Een prettige verklaring zou zijn dat communicatie empathische gevoelens opwekt. Maar zeker is dat allerminst. De vrijgevigheid kan ook het resultaat zijn van het niet willen teleurstellen van anderen die we door communiceren beter leren kennen. Of wat meer vrijgevigheid na communicatie is nodig om onszelf voor de gek te blijven houden dat we werkelijk niet zelfzuchtig zijn.

Zit geven in ons bloed?

Decennialang, maar vooral in de afgelopen 20 jaar, hebben allerlei soorten wetenschappers dezelfde vraag gesteld: ‘Waarom zijn mensen aardig tegen elkaar wanneer dit niet in hun eigenbelang lijkt te zijn?’ Dat mensen zich zelfzuchtig dienen te gedragen, lijkt een logisch gevolg te zijn van uit de evolutionaire biologie afkomstige veronderstellingen ten aanzien van zelfbehoud. Altruïstisch gedrag, daarentegen, behoeft nadere uitleg.

Vrijwel alle theorieën over altruïstisch gedrag koppelen zelfbelang, in de breedste zin van het woord, aan altruïsme. Bekende voorbeelden zijn: overleven van de genen (verwantschapsselectie, zie Hamilton 1964), fysiek overleven (normen naleven d.m.v. sancties, Boyd en Richarson 1992), en materieel voordeel (onderlinge reciprociteit, Trivers 1971).

Deze theorieën bieden een gezonde basis voor het bestaan van altruïstisch gedrag in de menselijke psyche. In economische laboratoriumonderzoeken geven proefpersonen blijk van significante niveaus van altruïstisch geven en een afkeer van ongelijkheid (Fehr en Schmidt 1999, Bolton en Ockenfels 2000, Andreoni en Miller 2002). Buiten het laboratorium worden we echter geconfronteerd met enorme armoede en ongelijkheid; toch geven we wereldwijd slechts een minieme fractie van het inkomen weg aan goede doelen (Andreoni 2006). Hoe kunnen we een aversie tegen ongelijkheid rijmen met gedrag dat aangeeft dat mensen deze ongelijkheid in werkelijkheid in aanzienlijke mate tolereren?

Communicatie en altruïsme?

In een recent artikel (Andreoni en Rao 2010) beginnen we met de vaststelling dat altruïstische handelingen normaal gesproken ook sociale handelingen zijn; deze sociale aard van interactie geeft de onderliggende mechanismes van altruïsme de kans om te functioneren. Wij beweren dat deze sociale signalen zich ontwikkeld hebben zodat altruïstisch gedrag niet zomaar willekeurig tot uitdrukking komt, maar meer kans heeft om tot uitdrukking te komen wanneer het een rol speelt bij het dienen van andere (wellicht zelfzuchtige) doeleinden.

Om deze hypothese te testen, gebruiken we een subtiele manipulatie van één enkele sociale factor, te weten verbale communicatie. Communicatie is een natuurlijk sociaal signaal; het is de kenmerkende verbinding tussen gever en ontvanger. De leidende theorie ten aanzien van de oorsprong van verbale communicatie stelt dan ook dat verbale communicatie voortkomt uit communicatie via gebaren, bedoeld om wederzijds voordelige coördinatieve handelingen te faciliteren (Grice 1957). Ter ondersteuning van deze theorie laat Tomasello (2008) zien dat de verschillen in altruïsme tussen mensapen en mensen gekoppeld kunnen worden aan geavanceerde sociale vaardigheden van de mens, waaronder verbale communicatie en het vermogen opvattingen te vormen over elkaars denkwijzen.

Experiment en uitkomsten?

Voor ons onderzoek maakten we gebruik van een bekend spel uit de experimentele economie: het Dictator Game, waarbij twee spelers een som geld delen (hier $10). De ene speler is de ‘verdeler’, de persoon die de taart snijdt (of helemaal voor zichzelf houdt); de andere speler is de ‘ontvanger’ en heeft geen controle over de verdeling. Bij Experiment 1 veranderden we systematisch wie van de twee een geschreven bericht en een zogeheten numeriek verzoek kon versturen (één persoon, beide personen en de volgorde van versturen). De uitkomsten zijn weergegeven in Figuur 1. We zien dat in de situatie waarbij alleen de verdeler kon spreken, slechts 6% van de som werd overgedragen, wat significant lager was dan de basislijn van 15% behorend bij de situatie waarin er geen communicatie is. In dit laatste geval waren de rollen in de sociale interactie het meest asymmetrisch. In sterk contrast hiermee staat dat telkens wanneer de ontvanger sprak, minstens 24% van het bedrag werd overgedragen – vragen heeft dus inderdaad veel invloed. Er waren drie situaties waarin de verdeler sprak: Uitleggen (alleen verdeler), Vragen-Uitleggen (ontvanger vraagt, waarna verdeler antwoordt) en Uitleggen-Vragen (verdeler stuurt voorgestelde verdeling met verbaal bericht, ontvanger antwoordt). Geven (overdragen) was 4 keer lager voor Uitleggen, vergeleken met situaties waarbij er sprake was van communicatie in twee richtingen. Hieruit blijkt dat ‘uitleggen’ als reactie op ‘vragen’, ongeacht de volgorde van communicatie, fundamenteel anders was dan bij situaties waarin de ontvanger niets mocht zeggen of vragen.

Figuur 1. Giften per situatie uit Experiment 1

Giften per situatie uit Experiment 1

Noot: Base line: geen communicatie, A: ontvanger mag alleen ‘vragen’, E: verdeler mag alleen ‘uitleggen’, AE: eerst ‘vragen’ daarna ‘uitleggen’, EA: eerst ‘uitleggen’ daarna ‘vragen’.

Om de intentie van de communicatie te begrijpen, voerden we een tekstuele contentanalyse uit. Er was 5-6 keer zoveel kans dat er gesproken werd over eerlijke verdeling als er sprake was van ‘vragen’, terwijl de kans op mededogen eenvierde was. Interessant is dat de inhoud van de tekst niet afhing van het feit of de verdeler rechtstreeks reageerde op het ‘vragen’ of een bericht verstuurde in de wetenschap dat hij een antwoord zou krijgen (‘anticiperen op het vragen’).

De uitkomsten zijn raadselachtig. Ten eerste is de inhoud van vraagtekst nogal voor de hand liggend. Je zou uiteraard verwachten dat de meeste mensen om een gelijke verdeling vragen en zich op eerlijkheid richten. Figuur 2 toont aan dat dit inderdaad precies het geval is. Ondanks dat het voor de hand ligt, heeft vragen nog altijd een significante invloed op gedrag. Ten tweede geldt dat het effect van uitleggen volledig omslaat wanneer er sprake is van ‘vragen’. ‘Sorry’ zeggen lijkt niet langer een optie te zijn. Communicatie vanuit de ontvanger, ongeacht de volgorde van de sprekers, leidde tot een ‘conversatie’ die meer kans heeft gericht te zijn op een eerlijke verdeling van het geldbedrag.

Figuur 2. Verdeling van verzoeken (rechter y-as) met bijbehorende giften (linker y-as)

Verdeling van verzoeken (rechter y-as) met bijbehorende giften (linker y-as)

We namen als hypothese aan dat communicatie van de ontvanger de verdeler ertoe aanzet om beter na te denken over de positie van de ontvanger, en dat dit ertoe dient om zelfzuchtig gedrag te blokkeren. Om deze hypothese te testen, maakten alle proefpersonen bij Experiment 2 beslissingen voor beide rollen. Daarna bepaalden we welke rol zou tellen voor de verdeling van het geld. Ze deden één geschreven verzoek als ontvanger en dienden één toekenning en geschreven bericht in als verdeler. Vervolgens werden de rollen bepaald door een munt op te gooien. In de situatie waarbij alleen de verdeler kon spreken (vergelijkbaar met Uitleggen in Experiment 1) was het zo dat de toekenningen en verbale content eruit zagen alsof ontvangers de mogelijkheid hadden om te vragen. Onze interpretatie is dat vragen de verdeler ertoe brengt om actief na te denken over, en zich te vereenzelvigen met, de rol van de ontvanger. We noemen dit gevoel ‘empathie’.

Hoe zit het met ‘uiterlijke schijn’?

Aan het begin hebben we de vraag gesteld: ‘Waarom zijn mensen aardig tegen elkaar wanneer dit gedrag hun zelfbelang lijkt te schenden?’ Het idee achter ‘onzuiver altruïsme’ is dat zelfzuchtigheid de grootste motivatie is om te ‘geven’ (Andreoni 1990). We zien dat communicatie mensen meer aan anderen lijkt te doen denken, een vorm van empathie, en dit leidt vervolgens tot meer geven. Maar betekent dit dat de gever oprecht meer om anderen geeft? Twee kanalen van onzuiver altruïsme zijn in dit opzicht relevant: ‘self-signalling’ (Bodner en Prelec 2003) en schuldaversie (Dufwenberg en Gneezy 2000).

Een ‘self-signaller’ is zelfzuchtig maar wil graag geloven dat hij dit niet is (‘hij is onwetend uit zelfzucht’). Bij de situaties uit Experiment 1 waarbij er sprake is van ‘vragen’, kunnen we keuzes waarbij de verdeler eenvoudigweg de mogelijkheid heeft de gevoelens van de ontvanger te weten (basislijn) vergelijken met een keuze waarbij hij wordt gedwongen om daadwerkelijk rekening te houden met de ander (zoals we hierboven hebben gezien, impliceert verbale communicatie dat de verdeler zich een idee vormt over de denkwijze van de ander). Het argument voor self-signalling bevestigt dat deze kennis de kosten van zelfbedrog verhoogt.

Het mechanisme van schuldaversie behelst dat mensen de verwachtingen van anderen niet teleur willen stellen. Schuldaversie kan een verklaring leveren voor deze uitkomsten als empathie de effectiviteit van strategieën om schuld terug te dringen beperkt. Zo kan het bijvoorbeeld gemakkelijker zijn om jezelf aan te praten dat de ander niet veel verwacht wanneer je zijn of haar positie niet in overweging neemt.

Bij Experiment 2 vonden veel proefpersonen het moeilijk om tegelijkertijd om een eerlijke verdeling te vragen en zelf een krenterige verdeling toe te passen. Volgens de logica van schuldaversie is dit het geval omdat het innemen van de positie van de ontvanger een hoge overdrachtverwachting genereert en omdat overdrachten stijgen met deze ‘schulddrempel’. Bij self-signalling treedt de moeilijkheid op dat de persoon in beide rollen geplaatst wordt, waardoor zelfbedrog aan het licht komt (nu weet je dat het onacceptabel is om geen cent over te dragen).

Het is met onze gegevens niet te testen of communicatie tot meer oprechte empathie leidt of louter meer kennis over de ander oplevert zodat schuldreducerende strategieën of zelfbedrog duurder uitvallen. Meer in het algemeen kunnen we zeggen dat het mogelijk is dat datgene wat mensen veelal empathie noemen, eigenlijk niet echt empathie is. Dit zijn interessante vragen die we met toekomstig onderzoek hopen te kunnen beantwoorden.

* Dit artikel is eerder verschenen op de Engelstalige partnersite Vox.

Referenties:

Andreoni, J. (1990), “Impure altruism and donations to public goods: a theory of warm-glow giving”, Economic Journal, 100:464-477.

Andreoni, J (2006), “Philanthropy”, in S Kolm and J M Ythier (eds.), Handbook on the Economics of Giving, Reciprocity and Altruism, 1201-1269, Elsevier.

Andreoni, J and JH Miller (2002), “Giving according to GARP: An experimental test of the consistency of preferences for altruism”, Econometrica, 70:737-753.

Andreoni, J and JM Rao (2010), “The power of asking: How communication affects selfishness, empathy and altruism”, NBER Working Paper 16373. Forthcoming in Journal of Public Economics.

Bodner, R and D Prelec (2003), “The diagnostic value of actions in a self-signaling model”, in I Brocas and J Carillo (eds.), The Psychology of Economic Decisions, vol. Rationality and Well-being, volume 1, Oxford University Press.

Bolton, G and A Ockenfels (2000), “ERC: A theory of equity, reciprocity, and competition”, American Economic Review, 90(1):166-193.

Boyd, R and PJ Richerson (1992), “Punishment allows the evolution of cooperation (or anything else) in sizable groups”, Ethol Sociobiology, 13:171-195.

Dufwenberg, M and U Gneezy (2000), “Efficiency, reciprocity, and expectations in an experimental game”, Games and Economic Behaviour, 30:163-182.

Fehr, E and K Schmidt (1999), “A theory of fairness, competition, and cooperation”, Quarterly Journal of Economics, 114(3):817-868.

Hamilton, W (1964), “The genetical evolution of social behaviour”, Journal of Theoretical Biology,7(1):1.

Grice, H (1957), “Meaning”, The Philosophical Review : 377-388.

Trivers, R (1971), “The evolution of reciprocal altruism”, Quarterly Review of Biology, 46(1):35.

Tomasello, M (2008), Origins of Human Communication, MIT Press.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik