Back

Artikel

Home

Bedrijfspensioenen bieden geen onbezorgde oude dag

3 feb 2010
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Pensioen
Oude man in tram De bedrijfspensioenen blijken onvoldoende mee te groeien met de welvaart. Bij echtscheiding en vertrek uit een pensioenfonds vervallen rechten. Overdracht van rechten is in de praktijk slecht geregeld. Alles bij elkaar bieden bedrijfspensioenen vooral vrouwen die in deeltijd werken geen onbezorgde oude dag, stelt econoom Wiemer Salverda. Het is tijd voor een basispensioenpolis voor iedereen.

Belang bedrijfspensioenen groeit

Het redactioneel commentaar in de NRC Handelsblad van afgelopen donderdag 28 januari verbindt aan het rapport van de Commissie-Goudswaard de conclusie dat private pensioenvoorzieningen (de derde pijler van levensverzekeringen) aan belang gaan winnen. Niet onlogisch en feitelijk al lang gaande, maar tegelijk het slechts denkbare toekomstperspectief voor ons pensioenstelsel.

Vergeleken met AOW en bedrijfspensioen zijn particuliere voorzieningen ongelooflijk kostbaar, inefficiënt en onbetrouwbaar in de uitvoering (noot 1) – voor deelnemers én overheidsfinanciën. De belastingbetaler betaalt mee aan de hoge kosten, winsten en bonussen van levensverzekeraars. Tegelijk is de conclusie begrijpelijk want wie ziet door de bomen van beleidsvoornemens (AOW) en commissies (Don, Frijns, Goudswaard) nog het bos? Elke commissie ‘doet zijn eigen ding’ en niemand let op het grotere geheel. Minister Donner misschien nog wel het minst.

Figuur 1 AOW-uitkering en verdiend uurloon*, gedefleerd, 1979=100

Figuur 1 AOW-uitkering en verdiend uurloon*, gedefleerd, 1979=100

*) Een voorzichtige maat voor welvaartsstijging (het BBP per volwassene steeg vanaf 1979 tot 145)

AOW-plannen

Opvallend is dat de plannen voor de AOW in alle talen zwijgen over de halvering van de premiegrondslag sinds 1990 (noot 2), en de zwaardere druk die dat legt op lagere inkomens; over het sterk achterblijven van de AOW bij de welvaartsontwikkeling (figuur 1) en de compensatie die bedrijfspensioenen (maar ook levensverzekeringen) daarvoor hebben moeten bieden; en niet in de laatste plaats over de grote betekenis van de AOW voor vrouwen, ongeacht of ze betaald werken of huisvrouw zijn.

Bedrijfspensioenen duur en onzeker

In de Commissie–Don is elke zinnige bijdrage aan de discussie over het Financieel Toetsingskader (FTK) gesneefd in onenigheid over toekomstig aandelenrendement.

De Commisie-Frijns heeft dat FTK gelukkig wel, en zinvol, opgepikt. De meeste aandacht kreeg haar conclusie dat pensioenfondsen 20 miljard verkeerd hebben belegd. Natuurlijk is dat zeer ongewenst, tegelijk kan men optimistisch vaststellen dat het om slechts drie procent van het pensioenkapitaal gaat. Belangrijker is te beseffen dat het echte probleem zit in de financiële markten. Hun falen vormt een existentiële bedreiging voor de Nederlandse filosofie van kapitaaldekking. Maar ook zonder zulk falen zijn er enorme kosten van vermogensbeheer (nu al zo groot als alle andere uitvoeringskosten samen), is er de lokroep van premievakantie (in de jaren negentig polderbreed niet weerstaan) en zijn er de verleidingen van een zo omvangrijk bezit dat het haast oncontroleerbaar wordt (de vastgoedfraudes). Helaas verwaarloost de commissie deze punten.

Bedrijfspensioenen blijven ook achter bij welvaartsontwikkeling

De Commissie-Goudswaard, tot slot, is ingesteld voor een ‘toekomstbestendig pensioen’. Haar advies is echter beter als ‘premie-bestendig’ te kwalificeren: als hard uitgangspunt is gekozen dat de pensioenpremies niet verhoogd kunnen worden. Het is paradoxaal dat de Commissie-Frijns toekomstbestendigheid en de implicaties daarvan wél bespreekt. Goudswaard besteedt geen aandacht aan het gat van de achterblijvende AOW dat bedrijfspensioenen hebben moeten vullen. Daardoor verschuiven de AOW-lasten naar de factor arbeid. Evenmin komt aan de orde dat de bedrijfspensioenen even hard achterblijven bij de welvaart en daarmee bij de vergrijzing. Het totaal van AOW en bedrijfspensioen schommelt al 30 jaar rond 9 procent van het Bruto binnenlands product, tegelijk steeg het 65+-aandeel in de volwassen bevolking van 17 naar 20 procent.

Een verbeterde beschikbare inkomenspositie van ouderen vormt een belangrijk argument voor deze commissie om neerwaartse aanpassing van pensioen voor te stellen. Voor een discussie over pensioenréchten, die bruto gedefinieerd zijn, vormen netto inkomens een oneigenlijk argument – die hangen af van de belasting waar niet de sociale partners over gaan maar de politiek, denk bijvoorbeeld aan de fiscalisering van de AOW. De vertaling van netto in beschikbaar inkomen wordt beïnvloed door de huishoudsamenstelling. Deze wordt bijvoorbeeld relatief gunstiger als 65+-ers vaker deel uitmaken van meerpersoonshuishoudens doordat mannen langer doorleven.

Belangrijker is de vraag hoe deze inkomensontwikkeling zich verhoudt tot bedrijfspensioenen in de toekomst. Een analyse van hoevelen het fameuze pensioen van 70 procent van het loon werkelijk halen – en de trend daarin – , wordt node gemist. Velen, en misschien steeds meer, halen dat niet. Hetzelfde geldt voor een analyse van de rap verschuivende pensioenrechten. Nabestaandenpensioenen op opbouwbasis – in 1998 nog 95 procent van alle pensioenpolissen – zijn in enkele jaren tijd goeddeels vervangen door risicobasis: rechten vervallen bij echtscheiding en vertrek uit een pensioenfonds. Het leidt, samen met de AOW, tot een onwelkome, helaas nauwelijks besefte, bedreiging van de inkomenspositie na pensionering van vrouwen, die massaal in deeltijd werken gegeven een voltijds verdienende man.

De toegenomen levensverwachting wordt als tweede argument aangevoerd. De aan het CPB ontleende (en onvoldoende beargumenteerde) verwachting dat de pensioenpremies sterk zullen moeten stijgen (van 12,7% naar 17,2% in 2025) om hieraan het hoofd te bieden, lijkt op het eerste gezicht zwaar overdreven. De recente bijtelling door het ABP van nog geen 6% aan extra verplichtingen geeft daarvan een indicatie. Tot 2025 voegt de de nieuwste bevolkingsprognose van het CBS 1,3 jaar toe aan de levensverwachting van 65+-ers vergeleken met de oude prognose. Hiervanuitgaande zou de premie misschien moeten stijgen naar 14,1%.

Meer mobiliteit

De commissie heeft ook geen oog voor de toenemende belemmeringen (waaronder deze risicoverschuiving) die uiteenlopende pensioenregelingen opwerpen voor mobiliteit. Er zijn meer slapers dan ooit, 9 miljoen – 40 procent meer dan tien jaar geleden. De overdracht van pensioenrechten mag tegenwoordig wettelijk verzekerd zijn, de praktijk is anders. De sterke worteling van ons stelsel in bedrijfstakken dreigt een handicap te worden in een arbeidsmarkt waar flexibiliteit en mobiliteit toenemen – en die snel internationaliseert. Dáár is aandacht voor nodig willen we serieus over toekomstbestendigheid kunnen praten.

Kortom, we zijn een aantal ontoereikende rapportages verder en missen overzicht en samenhang. Particuliere voorzieningen groeien als kool. Ze verdubbelden sinds 1980 en verdrievoudigen verder tot 2040 als we de huidige lijn van niet-welvaartsvaste AOW en bedrijfspensioenen doortrekken. Net als met de koopsompolis en andere financiële-sector producten zullen we bedrogen uitkomen. Dat geldt ook voor overheidsbeleid dat gericht is op losse onderdelen en gedragssamenhangen binnen het geheel verwaarloost.

Basispensioenpolis

Van groot belang is om ‘out of the box’ te denken. Net over de rand van de pensioendoos kijken is misschien al genoeg. Naar het voorbeeld van de ziektekostenverzekering kan een uniforme basispensioenpolis worden ingevoerd, inclusief een adequate regeling voor nabestaanden. De fondsen voeren de regeling uit en sociale partners brengen extra verlangens onder in aanvullende regelingen, bijvoorbeeld voor gezondheidsbelastende beroepen of hoogbetaalde beroepen. Ook alle bestaande rechten die boven de basisvoorziening uitgaan worden in de aanvulling ondergebracht.

De uniformiteit zal de geïnformeerdheid van individuele deelnemers sterk bevorderen en ook de werkelijke (werkgevers)bijdragen inzichtelijk maken. Een basispolis voorkomt pensioenbreuk, bevordert baanmobiliteit en geeft antwoord op groeiende flexibiliteit. Ze maakt het ook gemakkelijker een antwoord te vinden op de solidariteitsvraag tussen jong en oud. De regeling is (verplicht) beschikbaar voor zzp-ers en vult daar een belangrijke leemte. De versplintering van het toezicht naar de afzonderlijke pijlers enerzijds en de uitkeringen en financiering anderzijds wordt opgeheven, en op reële basis geschoeid in plaats van nominale – zoals bepleit door Frijns. De bijbehorende openheid over prestaties van individuele fondsen – het is absurd dat die nu ontbreekt in tegenstelling tot levensverzekeringsmaatschappijen – verschaft het toezicht bovendien een sterkere democratische grondslag. De verhouding met de AOW wordt kostenoptimaal gecalibreerd, en per saldo lijkt zelfs een besparing op overheidsuitgaven niet uitgesloten. Minister Donner hoeft niet tot 1 april te wachten voordat hij een Commissie Pensioenstelsel instelt.

Noten

  1. Uitvoeringskosten (inclusief exploitatieoverschot) gerelateerd aan premies en uitkeringen, en – indien van toepassing – werkelijke vermogensopbrengsten bedragen in 2008 0,21 procent voor de AOW, 6 procent voor de tweede pijler en meer dan 17 procent voor de derde pijler. Merk op dat het percentage voor de tweede pijler verdubbelde sinds 1980.
  2. Teruggerekend uit premie-inleg en premiepercentage daalde de effectieve premiegrondslag van 46 procent van het BBP in 1989 naar 19 procent in 2008. Een belangrijk deel van de verklaring ligt in het sterk achterblijven van de inkomensgrens voor premieheffing bij de inkomensontwikkeling.

Een kortere versie van dit artikel is eerder verschenen in NRC Handelsblad van 2 februari.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik