Back

Artikel

Home

Banken horen niet thuis op de beurs

25 jun 2012
Dossiers: Eurocrisis
Onderwerpen: Financiële markten
De zelfregulerende werking van banken is een illusie gebleken. Keer op keer blijken bankiers niet in staat zijn om zelf de gewenste structuurverbeteringen in gang te zetten. De Eindhovense econoom Romme pleit daarom voor een fundamentele transformatie van de bancaire wereld, vanuit het basisidee dat banken die dienstbaar willen zijn aan hun klanten niet beursgenoteerd dienen te zijn.

Bankensector in crisis

De financiële sector ondergaat een ernstige crisis, als gevolg van een dramatische afwaardering van diverse activa. Deze crisis betekent ook dat kredietverlening en andere belangrijke financiële diensten aan de samenleving onder grote druk zijn komen te staan. Banken en hun toezichthouders hebben dus een procyclisch (versterkend) effect op de economische crisis, terwijl eigenlijk een anticyclische werking van ze mag worden verwacht (Fischer 2011).

De sector zelf heeft diverse pogingen ondernomen om zichzelf te reinigen en te hervormen, onder meer via de nieuwe Basel III standaard van het Basel Committee on Banking Supervision (Blundell-Wignall & Atkinson 2010). Nederlandse banken hebben in kader van zelfregulering een gedragscode opgesteld die op 1 januari 2010 in werking is getreden. De code bevat principes voor goed bestuur en een beheerst beloningsbeleid, die zouden moeten zorgen voor meer transparantie en minder risico, en uiteindelijk een herstel van het vertrouwen in de Nederlandse bancaire sector. Daarnaast heeft onder meer het nieuw opgerichte Sustainable Finance Lab het voortouw genomen in de maatschappelijke discussie over de toekomstige positie en rol van banken (Sustainable Finance Lab 2011). Al deze initiatieven zien echter een belangrijke constructiefout van de financiële sector over het hoofd.

Primaire functie van banken

De oorspronkelijke functie van elke bank is leveren van een collectieve dienst, een zogenaamd ‘publiek goed’ in goed economisch jargon, door het economische ruilverkeer tussen individuen, ondernemingen, overheden en andere actoren te faciliteren. Banken nemen aldus geld in bewaring, lenen geld uit, verschaffen credit cards, en leveren diverse andere diensten aan hun klanten. Als zodanig leveren banken de smeerolie die essentieel is voor het functioneren van een (sociale) markteconomie.

In de loop der tijd zijn de meeste banken autonome ondernemingen geworden, met juridische structuren (vennootschappen) die we gewend zijn bij industriële ondernemingen én met een eigen beursnotering. Deze banken stellen, bijvoorbeeld in hun jaarverslagen, dat zij twee missies nastreven:

  • Dienstbaar zijn aan hun klanten (vgl. faciliteren van economisch verkeer)
  • Creëren en vergroten van aandeelhouderswaarde.

De eerste missie, ook wel de ‘nutsfunctie’ genoemd, brengt normaal gesproken een zeer conservatieve benadering van de vermogensstructuur van de bank met zich, ten einde tegen een redelijke vergoeding op een stabiele en robuuste wijze financiële diensten te kunnen leveren. De tweede missie betekent dat de bank concurreert op de kapitaalmarkten, met een strategie gericht op een veel hogere omzet/winst(groei) en daarmee samenhangend risico.

De huidige financiële en economische crisis laat zien dat de genoemde tweevoudige missie van beursgenoteerde banken pure retoriek is: ABN AMRO, ING en andere banken geven prioriteit aan (het handhaven of opkrikken van) de aandeelhouderswaarde van de bank ten koste van de dienstbaarheid aan klanten. Het meest zichtbaar is dit in de wijze waarop honderden banken in de eurozone goedkope leningen van de ECB verkregen zonder de kredietverschaffing aan klanten te verbeteren (hoewel dat wel de expliciete bedoeling van ECB was).

Banken horen niet op beurs thuis

Maar wellicht kunnen we onze bankiers niet verwijten dat ze zich door de waan en wetmatigheden van de kapitaalmarkt laten meesleuren. Er is sprake van een fundamentele constructiefout in de wijze waarop de financiële sector is georganiseerd. Om hun primaire functie in de samenleving te kunnen vervullen, kunnen banken niet bloot worden gesteld aan de korte tijdshorizon en het opportunisme van de beurzen. Dit essentiële principe geldt mijn inziens voor alle banken, ongeacht of men focust op gewone financiële diensten, verzekeringen, investeringsactiviteiten of vermogensbeheer.

Alternatieven

Niet alle banken hebben gekozen voor een vennootschapsstructuur en blootstelling aan de ups en downs van de beurs. Van oudsher laten kredietunies en coöperatieve banken zien dat er alternatieve oplossingen bestaan, waarin de klant tevens aandeelhouder is en als zodanig de leiding, strategie en vermogensstructuur van de bank controleert. Sommige coöperatieve banken in Europa zijn tegenwoordig ook beursgenoteerd, maar deze blootstelling aan de grillen van de beurs is doorgaans veel beperkter dan die van andere banken. Als zodanig opereren coöperatieve banken veel onafhankelijker van de beurs dan hun niet-coöperatieve tegenpolen, en vormen dus ook een stabiliserende factor in de financiële en economische crisis. Geen enkele coöperatieve bank in Europa heeft de afgelopen jaren voor herkapitalisatie en vermogensversterking een beroep op overheidsmiddelen gedaan. Het mag aldus geen verbazing wekken dat de voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Rabobank, Lense Koopmans, enkele maanden geleden betoogde dat banken niet op de beurs thuis horen (Financieele Dagblad 27 december 2012). Deze oproep werd alom zeer positief ontvangen, ook in sommige delen van de financiële sector, maar is vervolgens door beleidsmakers en bankiers geheel genegeerd.

Feit is dat er veel te weinig banken zijn die zich op hun dienstverlenende functie in de reële economie concentreren en die duurzaamheid als een primaire taak zien; uitzonderingen zijn bijvoorbeeld Triodos en ASN (van Hulten 2012). Ik pleit hier niet voor het ombouwen van alle beursgenoteerde banken naar coöperaties. Ook van binnenuit kunnen ABN AMRO, ING en andere banken transformeren in de richting van duurzame relaties met klanten én aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld door in de Raad van Commissarissen de stem en het belang van aandeelhouders gelijkwaardig te maken aan die van klanten, werknemers en andere belanghebbenden. Deze transformatie is elders in het Nederlandse bedrijfsleven al lang gaande (Romme en Endenburg 1998; Romme en Walrave 2012).

Conclusie

Natuurlijk is een dergelijk ingrijpende wijziging niet gemakkelijk te realiseren, omdat veel banken sterk verweven zijn met de beurs. Dit laat onverlet dat een langetermijnvisie op het bancaire systeem zeer wenselijk is, ook ten behoeve van het beleid dat de Nederlandse politiek en overheid ontwikkelt voor de financiële sector. Symptoombestrijding naar aanleiding van de maatschappelijke onvrede over bonuspraktijken, kortetermijnwinstbejag en opportunisme van bankiers volstaat niet langer. Het is hoog tijd om te werken aan wettelijke kaders en structuren die ‘onze’ banken weer ten bate - en niet ten koste - van economie en samenleving laat functioneren.

Referenties

Blundell-Wignall, A. en P. Atkinson, 2010, “Thinking beyond Basel III: Necessary solutions for capital and liquidity”, OECD Journal: Financial Market Trends, vol. 2010 (1): 1- 23.

Fischer, S., 2011, “Central bank lessons from the global crisis”, public lecture 3-4-2011.

Hulten, M.van, 2012, "De mislukte start van het Sustainable Finance Lab", www.mejudice.nl, 2 maart 2012.

Romme, S. en G. Endenburg, 1998, “Een nieuwe visie op het aandeel.” Economisch Statistische Berichten, vol. 83: 712-715.

Romme, S. en B. Walrave, 2012, “Voorkom blindstaren op beurskoers met andere vennootschapsvorm”, www.mejudice.nl, 12 maart 2012.

Sustainable Finance Lab, 2011, “Hoofdconclusies en aanbevelingen d.d. 24 november 2011”.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik